Michaël Zeeman (50) overleden
Uitgegeven:        27 juli 2009 23:28
Laatst gewijzigd:        28 juli 2009 10:27

AMSTERDAM - Journalist en literair criticus Michaël Zeeman is maandagavond op 50-jarige leeftijd in zijn woonplaats Rotterdam overleden. Zeeman stierf aan een hersentumor die een maand geleden was ontdekt.

Dat heeft de Volkskrant bekendgemaakt. Zeeman was voor deze krant onder meer enige tijd correspondent in Rome. (video)
Zeeman schreef sinds 1980 in tal van dag- en weekbladen over kunst en literatuur, filosofie en cultuurpolitiek. In 1988 werd hij stafmedewerker letteren van de Rotterdamse Kunststichting. Vanaf 1991 schreef hij voor de Volkskrant.

Zelf publiceerde hij ook poëzie, essays en proza. Voor zijn poëziedebuut Beeldenstorm kreeg hij in 1991 de C.Buddingh'-prijs. In 2002 ontving hij de Gouden Ganzenveer voor zijn bijdrage aan de Nederlandse, geschreven cultuur. Ook presenteerde hij voor de VPRO het televisieprogramma Zeeman met Boeken.
Onschatbare waarde
''Hij is van onschatbare waarde voor de Volkskrant geweest', zegt hoofdredacteur van de Volkskrant Pieter Broertjes in een reactie op de website van zijn krant.
''Zijn belezenheid was bijna ongeëvenaard in de Nederlandse journalistiek en hij schreef prachtig. En hij was snel. Je kon hem bellen en als het nodig was, had je binnen een uur een stuk.''
Europeaan
Zeeman was een 'echte Europeaan', zegt Broertjes. ''Hij heeft jaren in Rome gewoond, en hij had vanaf 1 juli in Berlijn willen gaan wonen, meer in het centrum van Europa.
Zijn columns waren doorwrocht van geloof in het ideaal van culturele en etnische samenwerking. Hij was de man van de renaissance en de Verlichting. De wereld was zijn werkterrein.''
© ANP

Smeekbede om vergiffenis
Door Michaël Zeeman

25 augustus 2006
De Volkskrant

 
 
 
Günter Grass
Beim Häuten der Zwiebel
uitgever: Steidl Verlag
prijs: € 24,-
480 pagina's
isbn: 3 86521 330 8

De Nederlandse vertaling verschijnt in maart volgend jaar bij Meulenhoff
 
 

Waarom wilde Oskar Matzerath, de eigengereide, kleine held uit Die Blech-trommel, maar niet groot worden?
Het heeft er veel van dat wij het antwoord nu kennen met de vervroegde verschijning van de herinneringen van zijn schepper, Günter Grass. Diens coming out, morgen twee weken terug, in een interview met de Frankfurter Allgemeine Zeitung waarin hij de akeligste verrassing uit zijn memoires alvast prijsgaf, zou immers wel eens nieuw licht kunnen werpen op wat in zijn oeuvre tot nog toe raadselachtig bleef, het mysterie van die groeistoornis voorop.

Grass onthulde in het vraaggesprek dat hij zich op jeugdige leeftijd had aangemeld voor bijzondere dienstplicht: zodra hij opgeroepen zou worden, zou hij beschikbaar zijn voor het zwaardere werk, werk waar een zekere doodsverachting en een nog stelliger overtuiging voor nodig waren, liefst op een onderzeeboot. Het werd, toen de dag daar was en hijzelf - zei hij en schrijft hij nu ook in zijn herinneringen - die aanmelding al zowat vergeten was, een onderdeel van de SS, de elitetroepen die onder meer belast waren met het vuilere werk, de uitroeiing van het Europese jodendom.

Grass onthulde door middel van dat gesprek en dus ook door publicatie van zijn herinneringen, Beim Häuten der Zwiebel, bovendien iets dat vanaf dat moment al geen onthulling meer was, namelijk dat hij zestig jaar lang gezwegen had over dat lidmaatschap en de zes maanden van actieve krijgsdienst die erop volgden. Die impliciete onthulling was onvergelijkelijk veel schokkender dan de expliciete: het grootste nieuws was niet het nieuws zelf, maar het gevolg dat dat nieuws met terugwerkende kracht had voor een massief en monumentaal beeld van een schrijver en zijn boeken.

Een halve eeuw lang, vanaf het verschijnen van Die Blechtrommel in 1959, had hij het hoogste woord gehad, vooral als het over de Duitsers en hun zwarte verleden, hun leugens en hun lafheid ging, hun duurzame gecorrumpeerdheid en hun onvermogen de werkelijke reikwijdte van hun verleden onder ogen te zien en daar consequenties aan te verbinden. De boeteprediker bleek zijn eigen zonden niet te hebben opgebiecht.

Zou dat gevolgen hebben voor de manier waarop zijn boeken gelezen zullen worden, zou je ze met de nodige reserves en achterdocht herlezen? Het brave leerstuk van de literatuurbeschouwing stelt dat je het boek niet mag lastigvallen met de eigenaardigheden van zijn schrijver en dat je het kunstwerk als 'wereld in woorden' geheel onafhankelijk dient te beoordelen van de biografie of de overtuigingen van de auteur ervan. God is, om theologie en literatuurwetenschap maar eens naast elkaar te leggen, de almachtige schepper van hemel en aarde, maar voor holocaust noch kanker is hij aansprakelijk.

In literair verband wordt maar al te gretig teruggegrepen op het voorbeeld van Louis-Ferdinand Céline: diens magnifieke Voyage au bout de la nuit uit 1932 wordt toch geen minder boek door de nare antisemitische praatjes die hij zes jaar later in Bagatelle pour un massacre zou verkondigen, zoals dat pamflet weer niet gelijkgesteld mag worden met het werkelijke massacre waarvan de omvang pas zes jaar later aan het licht zou komen?

De venijnigste procureurs van de schepper van alles zijn doorgaans de stelligste advocaten van de scheppers van één kunstwerk, van een oeuvre desnoods. De God die in Auschwitz zweeg, moet wel dood zijn, maar de labbekakkerigheid van Grass heeft geen gevolgen voor zijn werk.

Maar dat kleine 'Oskarchen' dan, die niet wilde groeien - en die wij vanzelfsprekend helemaal niet met de kleine 'Ginterchen' mogen verwarren? 'Je bent groot geworden, Ginterchen', zegt een tante tegen Grass wanneer hij in 1958, met het oog op zijn roman in wording, voor het eerst na de vlucht van zijn naaste familie uit Danzig in het bittere voorjaar van 1945, de stad van zijn jeugd bezoekt, die dan Gdánsk heet. Hij wel, Oskar niet?

Zou het toch niet zo kunnen zijn dat die halsstarrige onwil iets te maken heeft met de vrees dat hem, mocht hij ooit groot worden, de vraag bereikt die Grass' collega in de literatuur én in de Duitse Vergangenheitsbewältigung, Heinrich Böll, per romantitel in 1951 zo indringend aan de orde stelde: Wo warst du Adam? 'Adam, waar was je?', schrijft Böll, de vinger naar de lezer priemend, 'Ik? Ik was in de wereldoorlog.' Dat is, in weinig woorden, de kwestie op de spits: collectieve ervaringen versus individuele verantwoordelijkheden.

'Toen Günter Grass weer eens geprest werd uitsluitsel over zichzelf te geven, waar hij geen zin in heeft, in plaats van over zijn werk, waar hij gek op is, dook hij in de gestalte van de dichter en biechtte met zijn potlood', schrijft de biograaf van Grass, Michael Jürgs, in zijn Bürger Grass - Biografie eines deutschen Dichters. Dat boek is vier jaar oud, en de auteur ervan heeft zich, in reactie op het nieuws van twee weken terug, in de Duitse media desgevraagd tamelijk beteuterd betoond: honderden gesprekken met Grass gevoerd, waaronder zeer vertrouwelijke, maar nooit iets over de Waffen SS vernomen.

Jürgs voelt zich opgelicht, en dat is voorstelbaar: velen voelen zich dat met hem, inclusief lezers van Grass' boeken op veilige afstand, lezers die, anders dan zijn Duitse lezers, nooit veel last hebben gehad van het orakel Grass, dat stelselmatig venijnig uithaalde naar de leugenachtigheid van de Duitsers en hun politici waar het om hun verleden ging.

En zij niet alleen. 'Van katholieke kant heb ik nooit een kritisch woord tegen de nazi's gehoord', mopperde Grass ooit, 'ik heb nog de voorbedes in mijn hoofd waarmee onze dappere soldaten te land, ter zee en in de lucht werden bedacht. Van anderen was nooit sprake.' Je hoeft er niet eens voor terug te gaan naar alle interviews die Grass gedurende zijn lange en schitterende schrijversloopbaan heeft gegeven, naar alle toespraken die hij heeft gehouden, in het wilde weg of bij gelegenheid van zijn bekroningen, en al helemaal niet naar de razernij die spreekt uit de verkiezingstoespraken die hij, vanaf medio jaren zestig tot in de vroege jaren zeventig, ten bate van de SPD hield.

Wetenschap achteraf is genadeloos, voor herinneringen evenzeer als voor herinnerde bewondering.

Maar is die wetenschap te negeren bij het herlezen van Katz und Maus uit 1961? Komt een kapitein-luitenant een praatje houden, op school, over de verdiensten en geneugten van het dienstdoen op een U-Boot. Schooljongens onder de indruk, allicht - die rare 'Große Mahlke', de held van het verhaal, uitgezonderd. Hij is van gevoelen dat men 'zoiets niet doet', maar wat had het gescheeld wanneer wij van meet af aan geweten hadden dat de auteur dat indertijd helemaal niet vond? Integendeel, die verantwoordt zich nu met de aantrekkingskracht die het 'anti-burgerlijke' karakter van het nazisme en zijn militaire pracht en praal uitoefenden op een jongen uit de kleine burgerij, een jongen zoals hij.

Dat is goed te begrijpen. In zijn memoires schildert Grass het milieu waaruit hij afkomstig is: een tweekamerwoning met een kruidenierszaak ervoor, soebattende kleinburgers in Danzig tijdens de economische crisis van de jaren dertig van de vorige eeuw. 'Mief' is het sleutelwoord, 'muffe luchtjes'. In een uitgespaarde nis in de woonkamer vindt 'Ginterchen' de prachtbanden van de boekenclub waarop zijn moeder geabonneerd is, net als 'Oskarchen'. Hij blijft zitten in de onderbouw van het gymnasium en moet wegens opgehoorzaamheid zelfs van school wisselen. Dan kan het leger een uitkomst zijn.

Dat wisten wij allemaal al uit de 'Danziger Trilogie', uit Die Blechtrommel, Katz und Maus en Hundejahre. Met de nu verschenen herinneringen in Beim Häuten der Zwiebel in de hand kunnen we de parallellen tot in absurde details thuisbrengen: Grass is de eerste om dat te doen - en, begrijp mij goed, de eerst aangewezene. De schrijver is vrij van wat in de literatuurbeschouwing voor bon ton doorgaat, Grass gebruikt die vrijheid volop door bij het schillen van zijn uien stelselmatig heen en weer te springen tussen zijn boeken en zijn belevenissen. Het kan niet anders of hij vindt zelf ook dat zijn werkelijke ervaringen licht werpen op zijn boeken en op zijn kunstenaarschap - zijn ervaringen, én handelingen én overtuigingen.

Maar het zijn, in Beim Häuten der Zwiebel, bovenal de herinneringen van een tekenaar en beeldhouwer, die de toon zetten, van iemand die gulzig kijkt en noteert, die met zijn handen de wereld wil nabootsen en die nabootsing voorwerp wil maken van zijn verbeelding, van zijn behoefte de wereld te veranderen, te corrigeren. Nagedacht over wat hij ziet wordt er weinig in het boek. Grass vertelt het sprookje van zijn opgroeien, van zijn metamorfose van een kleinburgerlijk kind in een zware tijd dat zich geleidelijk aan ontpopt als een groot kunstenaar.

Zijn relaas houdt op in 1959, het jaar waarin Die Blechtrommel verschijnt, dat in één keer wereldwijd een megasucces wordt. Behoudens enkele vooruitblikken krijgen wij niets te horen over de jaren die erop volgden, de jaren waarin Grass een pundit werd in de Bondsrepubliek Duitsland - en de taak als boeteprediker maar al te graag op zich nam. Juist de periode uit zijn leven die hem gedwongen had tot bezinning, bezinning op zijn drijfveren om zich zo in te zetten voor de publieke zaak en zijn recht van spreken, blijft buiten beschouwing. Het land waarin hij opgroeit is, zoals beschreven in deze herinneringen, gek genoeg een land zonder geschiedenis, geheel en al op de toekomst gericht. Dat geldt a fortiori voor de schrijver zelf, die 24 uur per dag in de weer is met zijn kustenaarschap.

Beim Häuten der Zwiebel is bovenal een verbazingwekkend egocentrisch boek, de uienschiller wordt voortgedreven door een ontzagwekkende levenshonger. Behalve egocentrisch is het bovendien fragmentarisch: het portret van de kunstenaar als een jongeman wordt ons gepresenteerd als een mozaïek van op zichzelf staande belevenissen, van incidenten die geen andere onderlinge samenhang vertonen dan dat zij verwijzen naar een glorieuze toekomst. En de glorie van die toekomst is bij uitstek wetenschap achteraf: de betekenis ligt in de uitkomst.

En juist dat maakt lezing ervan afwisselend tragisch en komisch. In het hoofdstuk over zijn schooljaren, de jaren waarin het nazisme op zijn hoogtepunt was, is de vraag 'waarom zwegen wij, waarom zweeg ik?' het Leitmotiv. Waarom zweeg hij toen een leraar van school verwijderd werd, waarom zweeg hij toen een legerhulp, die tot de Getuigen van Jehova hoorde, werd afgevoerd? Waarom zweeg hij zijn leven lang?, denk je al lezend onophoudelijk.

Hij zweeg bovendien nooit meer sedert hij als puber zijn eerste gedichten schreef - de stelling van zijn biograaf, dat hij niet over zichzelf wil praten, is in die zin eenvoudigweg niet waar. Hij praat immers onophoudelijk over zichzelf, al een halve eeuw lang, over zijn eigen kwaliteiten en de feilen van zijn omgeving. En al die tijd verzweeg hij dat ene dat alles had kunnen verklaren én verdiepen.

Daar zit iets diep katholieks in: nog tientallen jaren later, als Grass de destijds met zijn zwijgende instemming van school verwijderde leraar, een pater, opzoekt, wil hij eigenlijk vergiffenis vragen. Zijn werk is in dat licht te beschouwen als een smeekbede om absolutie, zonder te hoeven biechten of boeten. Is het daarom dat Grass zo intens liefdevol schrijft over zijn jonggestorven moeder, die katholiek was, terwijl zijn vader, protestant, ervan langs krijgt?

Zijn leerjaren als beeldhouwer, net na de oorlog, bracht Grass door bij een leverancier van grafwerken in het Rheinland. Hij moest er letters in zerken hakken en grafmonumenten helpen uithakken. Grafwerken, bedoeld om het afgestorven verleden te gedenken én om dat met groot gewicht af te sluiten, het tegelijkertijd te monumentaliseren en het toe te dekken.

Het wordt een metafoor voor zijn oeuvre, zij het dat er dan buiten de grafdelver gerekend is.