Als de hele mensheid plus één dezelfde mening zou zijn toegedaan en slechts een persoon de tegenovergestelde mening huldigde'. schreef John Stuart Mill (1806-1873) In zijn gevreesde Essay on Liberty, 'dan zou de mensheid niet meer recht hebben om die opinie het zwijgen op te leggen dan die ene persoon, als hij daartoe de macht zou hebben, het recht zou hebben om de hele mensheid tot zwijgen te dwingen.' Wie die rigoureuze en compromisloze visie op de vrijheid van meningsuiting even op zich laat inwerken, beseft dat wij hier niet met een advocaat van die vrijheid van doen hebben, maar met een extremist, een fundamentalist van de vrijheid. Dan is de stap naar het hooliganisme doorgaans niet ver meer, zodat de vrijheid, met hand en tand verdedigd, eerder een bedreiging wordt dan een zegen. De meest geharnaste verdediger van de grootst denkbare vrijheid haalt de duivel van de terreur in huis.
Maar dat heeft hij zelf ook wel onder ogen gezien, deze tegelijkertijd diep beschaafde en snoeiharde denker uit het Victoriaanse Engeland, de man die op foto's en in zijn brieven de vleeswording van dat land en dat tijdvak schijnt. Zijn bewonderaars niet. Die hebben Mills vrijheidsfilosofie gebruikt om er lijnrecht tegenover elkaar staande opvattingen mee te motiveren, het recht om te roken zowel als het recht om van tabaksrook verschoond te blijven, het recht op eigen asociaal gedrag en het recht op sociale verplichtingen van anderen.
Bijna anderhalve eeuw na verschijnen - On Liberty kwam in 1859 uit- is het essay nog altijd verkrijgbaar, in verschillende talen is het al die tijd niet uit druk geweest. Op de lijst van -schadelijkste boeken van de 19de en 20ste eeuw' die het conservatieve Amerikaanse tijdschrift Human Events twee jaar terug aanlegde, staat het op een eervolle veertiende plaats, net onder Lenins Wat te doen?. Darwins On the Origin of Species en de gevangenisdagboeken van de Italiaanse communist Antonio Gramsci. Verkrijgbaarheid is één, invloed is twee, maar vrees inboezemen en met een banvloek getroffen worden is nog weer wat anders.
Het is zo leesbaar als de krant, nog altijd - met de vermeldenswaardige notie dat de held in Kingsley Amis' komische roman Jake's Thing passages eruit gebruikt als therapie tegen opkomende geilheid. Mill als libido dodend middel, het is geen gekke verdienste voor de man wiens seksleven tot op de dag van vandaag onder zijn biografen ter discussie staat: heeft hij 'het nou wel gedaan of is hij ongeschonden als maagd het graf in gegaan? Feit is, dat hij als 25-jarige verliefd werd op een reeds gehuwde vrouw, Harriet Taylor, en even keurig als geduldig gewacht heeft tot haar man de geest gaf alvorens met haar te trouwen: achttien jaar.
Zijn liefde voor haar was nog eerder monomaan dan monogaam en ze grensde aan eerbied. Daar danken wij een van de felste pamfletten voor de vrouwenemancipatie uit de geschiedenis aan. Zijn Subjection of Women uit 1869 de belangrijkste vrucht van hun verhouding. Zo Victoriaans kon hij niet zijn of hij was in de weer om de vooroordelen van zijn tijd en cultuur te bestrijden. In de nieuwe biografie van hem, het uiterst leesbare boek van de Britse journalist Richard Reeves wordt hij een "Victorian firebrand" genoemd, een Victoriaanse stokebrand.
En onrust gestookt heeft hij bij uitstek met zijn filosofie van de vrijheid: hij werd er de ideoloog mee van zowel het liberalisme in zijn niet conservatieve gestalte, als van een verlichte vorm van socialisme, dat wat de Engelsen radicalism noemen. Zijn essay lezen is van de ene herkenning in de andere tuimelen, want zijn boek is een goudmijn voor gelegenheidsdenkers en bijvoegselfilosofen die om een bezwerend citaat verlegen zitten: bijna iedere alinea is op te vatten als een aforisme. Google er een citaat uit, en het aantal hits loopt zó in de tienduizenden. Dat klopt met de geest van de tijd: wie de vrijheid verdedigt verdedigt het individu en zijn zelf ontplooiing.
En roept moeilijkheden op, zeker in een tijd waarin de vrijheid van de een de onderdrukking van de ander wordt, of ten minste diens zelfbeheersing oproept. Doordat Mill in een tijd leefde waarin godsdienstigheid en moraal nog nauw met elkaar verbonden waren en de persvrijheid nog formeel aan de banden van de een censor gebonden was, gaat een belangrijk deel van zijn essay juist over de vrijheid van meningsuiting. Hij is er radicaal over, in het hoofdstuk 'On Thought and Discussion'. De waarheid wordt gevonden in het debat. In het conflict tussen meningen en dus is het zaak dat conflict ten volle tot zijn recht te laten komen. Laat maar botsen, die meningen.
Hij meende het. Verlekkerd laat hij, na publicatie van een van zijn talrijke provocerende essays, een
hem bekende criticus van zijn ideeën weten dat hij erop rekent dat hem aanstonds de oren gewassen zullen worden. Alleen als Mrs Gaskell in haar biografie van Charlotte Bronte zijn geliefde Harriet Taylor te na komt, bepleit hij terughoudendheid en discretie. Het zij hem vergeven: dat lang verbeide huwelijk heeft slechts zeven jaar geduurd, toen kwam de dood zijn idool al halen.
Het sleutelbegrip in zijn vrijheidsleer is harm, de schade of de pijn die de individuele vrijheid anderen kan berokkenen. 'Het enige doel waarom er terecht macht kan worden uitgeoefend over een individueel lid van een beschaafde gemeenschap en tegen diens wil, is om schade aan anderen te voorkomen. Zijn eigen welzijn, lichamelijk of moreel, is geen voldoende reden.' Omdat die schade echter zelden te voorkomen is, stelt hij een economie van de deugd en de ondeugd op: keer op keer moet worden nagegaan hoe groot de schade is die de vrijheid aanricht en wat dan het zwaarst moet wegen.
Genereus sluit hij zijn essay af met een reeks praktijkvoorbeelden, hij neemt zijn lezers bij de hand in de morele huishouding van vrijheid en terughoudendheid. Wat de vrijheidsminnaars van vandaag daarbij gemakkelijk over het hoofd zien, is de kolossale nadruk die hij daarbij legt op het fatsoen, op de overwegingen van de vrijheidzoekers zelf. In zijn wereldbeeld staat moraal altijd hoger hoger aangeschreven dan de wet, wat
geen onbelangrijke boodschap is voor een tijdvak waarin maar voortdurend een beroep wordt gedaan op grondrechten om welk wangedrag dan ook te vergoelijken.
Daarin speelt het onderwijs een sleutelrol: sociale deugden zijn bijna even belangrijk als de deugd van de zelfontplooiing, 'en het is zaak dat onderwijs en opvoeding beide cultiveren'. Mill kon het weten, omdat hij de best denkbare opvoeding en het best denkbare onderwijs had genoten. De didactische procedure daarvan en de pedagogische opvattingen waarop dat rustte, zijn vaak gememoreerd, niet in de laatste plaats door hemzelf in zijn postuum verschenen autobiografie. Zijn vader, James Mill, was een broodschrijver van zeer eenvoudige komaf die gestimuleerd was een predikantenopleiding te volgen, maar onderweg zijn geloof verloor. Hij leefde van zijn pen, werkte en studeerde zich een ongeluk en verwierf onsterfelijkheid met zijn geschiedenis van India, een veeldelig en grondig werk dal hij in zijn eentje schreef. Tussen de bedrijvigheid door onderrichtte hij zijn oudste zoon, John Stuart.
Die leerde eerst Grieks - 'men heeft mij verteld dat dat was toen ik een jaar of drie was'. Daarna Engels en Frans volgden pas toen hij de leeftijd bereikt had waarop tegenwoordig kinderen naar de basisschool gaan. In zijn autobiografie wijdt hij bespiegelingen aan de wenselijke volgorde van de lectuur van de Platoonse dialogen voor jonge kinderen: de Theaetetus lijkt hem ongeschikt voor een 8-jarige, maar de Crito en de Phaedo vormen uiterst onderhoudende en opbeurende leerstof. In het Grieks, uiteraard. Volgen de Romeinse historici en de grote kroniekschrijvers uit de westerse traditie, allemaal voordat de puberteit begint. 'Kinderboeken had ik evenmin als speelgoed, een gelegenheidsgeschenk van een familielid of kennis daargelaten.'
Een dergelijk curriculum wordt vandaag de dag als bizar ervaren, ja, als wreed en gevaarlijk: ook de biograaf Reeves kan het niet nalaten zich er enigszins vrolijk over te maken. Hij zoekt en vindt berichten van tijdgenoten die Mill als jongeman weliswaar als heel geleerd, maar ook wel als wat onhandig in de omgang beoordelen. Dat commentaar past moeiteloos in de actuele pedagogische mode, die kinderen vooral wil oefenen in sociale vaardigheden. Dat schijnt een groot succes te zijn, volgens het jongste bericht aan de Nederlandse minister van Onderwijs, Ronald Plasterk, eerder deze week: zij kunnen rekenen noch lezen, schrijven noch spreken, zij weten niet eens dat je een afspraak maakt om je eraan te houden. Mill ziet de beperkingen van zijn eigen uitgesproken leergang wel in, maar dat weerhoudt hem er niet van de verheerlijking van de vrijheid te beschouwen als rustend op een behoorlijke opvoeding en permanent leren: juist daar is die vrijheid voor bedoeld.
Dat maakt hem, al zijn rigoureuze filosofie ten spijt, bij uitstek 19de-eeuws: hij gelooft niet alleen in de vooruitgang, hij hecht er ook aan. En de motor van die vooruitgang is leergierigheid. Als hij alle noties van krenking op godsdienstig gebied afwijst - 'laat de goden over belediging van de goden oordelen', zegt hij Tacitus na -, dan doet hij dat binnen het maaswerk van een samenleving die op zichzelf veel meer zin heeft in studeren dan in beledigen, en weten verkiest boven krenken.
In Nederland heeft Mill vrijwel geen invloed uitgeoefend: leest men zijn beschouwingen goed, dan wordt wel duidelijk hoe dat komt. Weliswaar werd zowel zijn traktaat over de vrijheid als dat over de onderdrukking van vrouwen in de 19de eeuw prompt vertaald, het zou een eeuw duren voordat zijn werk weer onder de aandacht werd gebracht. Met weinig succes: in de academische leergangen filosofie ging de belangstelling veeleer uit naar de gevaarlijke boeken van Gramsci en Umin dan naar die van een advocaat van de vrijheid. Alleen de Groninger historicus-filosoof F.L van Holthoon heeft serieus aandacht aan hem besteed. In een verzuilde samenleving is de zelfbeheersing geprivatiseerd, in een ontzuilde overwonnen. Het liberalisme is hier altijd een pleitbezorger van zakenmansinstinct geweest, de ware vrijzinnigheid slechts marginaal.
Reeves' biografie is er een voor de niet in de filosofie of de 19de-eeuwse ideeëngeschiedenis getrainde lezer. Hij schildert een portret en een tableau, het portret van de man, een tableau van zijn tijd. Maar het is ook een pleidooi. Mills denken is een generatie terug opgeborgen in zijn verzameld werk; dat beslaat meer dan een boekenplank: 33 loodzware banden. Dat gegeven dreigt zijn actuele waarde toe te dekken. Maar die waarde is kolossaal. Het recht op tegenspraak, op dissidente opinies, tegen de onverdraagzaamheid van de samenleving in, is immers in opspraak.


John Stuart Mill Victorian Firebrand
Richard Reeves
Arlantic Books, import van Ditmar,
616 pagina's,  49,99  Euro
ISBN 978 184354 643 6


Jonge student

John Stuart Mill (Pentonville 1806- Avignon 1873)
Behoorde tot de invloedrijkste denkers van de 19de eeuw.
Hij was aanhanger van het utilitarisme, de stroming die het morele handelen toetst aan net doel en gaf daar een eigen interpretatie aan in zijn boek Utilitarianism. Mill ging niet naar school, maar werd thuis opgeleid door vader. Hij had Plato al gelezen toen hij als 12-jarige een studie logica begon en vervolgens politieke economie. The system of Logic zijn eerste belangwekkende werk, schreef hij in 1842 en in 1849 verdedigde hij de vrouwenrechten in Subjection of Women. Hij zat toen al vier jaar in het parlement.

De engelse schrijver John Stuart Mill (1806-1873) schreef een essay over de vrijheid van meningsuiting dat werd gevreesd en bewonderd. Hij pleitte voor tegenspraak, maar wel beschaafde tegenspraak. Daar kunnen we nog veel van leren.
Door Michaël Zeeman