Het nut van school
Bron: Wikipedia

Het woord 'school' is afgeleid van het Griekse 
'σχολή', dat 'vrije tijd' betekent. Onderwijs was namelijk iets waarvoor je vrije tijd moest hebben: de meeste mensen, ook kinderen, besteedden al hun tijd aan werk. In het klassieke Griekenland bestonden er geen openbare scholen: alleen welgestelde kinderen ontvingen onderwijs van privé-docenten. De beroemde 'school' in Athene was Plato's academie. In deze 'school' waren er echter geen klassen of examens. Het was een plaats waar (wederom welgestelde) denkers converseerden met elkaar, met Plato's ideeën als uitgangspunt. Vandaag zouden we dit een salon noemen. Ook het lyceum van Aristoteles was gelijkaardig, hoewel Aristoteles tweemaal daags een lezing gaf.
Tegenwoordig verplicht de leerplichtwet de jeugd onderwijs te volgen bij een door de overheid erkende school.

De onderwijsstructuur in haar huidige vorm vindt haar oorsprong in sterk verzuilde tradities: de confessionele zuil (katholieke en protestantse onderwijs) en het staatsonderwijs.
Vóór de twaalfde eeuw speelde het intellectuele leven zich af in kloosters, waar vooral liturgie en gebed werd bestudeerd. In de twaalfde en dertiende eeuw was er voldoende welvaart om een professionele clerus te betalen, en bisschoppen richtten kathedraalscholen op om de clerus het canonieke recht te onderwijzen, alsook kerkelijke administratie, boekhouden, logica en retoriek (voor theologische discussies en preken). Kathedraalscholen hadden meestal slechts één leraar.

Reformatie
In de 16e eeuw revolteerden Luther en de humanisten tegen de scholastische methode. Het kerkelijke instituut werd bezien als een onnodige schakel tussen de mens en God, en het daaraan verbonden onderwijs werd door de humanisten afgewezen. Academische individualiteit, gebonden aan een sterke moraliteit, vormden de kern van het protestantse betoog.


In Europa begon de geschiedenis van het onderwijs in de Griekse oudheid en langzamerhand breidde het onderwijs zich, door Griekse invloed, verder naar West-Europa uit. Na het terugtrekken van de Romeinen concentreerde het onderricht zich op de principes van het rooms-Katholieke geloof en werd daarom ook, tot de reformatie, voornamelijk gegeven in kloosters of andere geloofsinstellingen.

Griekse oudheid
De eerste vorm van formeel onderwijs dateert mogelijks reeds van 1000 v.Chr. (in China), maar meer relevant voor het westerse onderwijs is het oude Griekenland. In het klassieke Griekenland bestonden er geen scholen. Er was geen huiswerk, geen schoolbel. De beroemde school in Athene was Plato's academie. In deze 'school' waren er echter geen klassen of examens. Het was een plaats waar denkers converseerden met elkaar, met Plato's ideeën als uitgangspunt. Vandaag zouden we dit een salon noemen. In de Griekse stadstaten ontstonden er twee onderwijsmodellen: het gedecentraliseerde Atheense model en het staatsgecontroleerde Spartaanse model.

Onderwijs in Athene
In de klassieke oudheid was Athene de meest geletterde staat ter wereld; aangenomen wordt dat vrijwel alle Atheense mannen konden lezen en schrijven. In Athene speelde de staat (de volksvergadering), afgezien van twee jaar verplichte militaire training, geen rol in het onderwijs.
Socrates beschreef de situatie als volgt:
"Wanneer jongens oud genoeg lijken om iets te leren, onderwijzen hun ouders dat waarvan zij weten dat het nuttig zal zijn voor hen; voor vakken waarvan ze denken dat anderen beter gekwalificeerd zijn om ze te onderwijzen, sturen ze hen naar school om te leren, en betalen ze hiervoor."[1]
Kinderen werden vanaf de leeftijd van zes of zeven naar school gebracht, maar rijke ouders lieten hun kinderen vaak vroeger beginnen en hielden ze langer op school. Scholen werden als private bedrijven uitgebaat: de vakken die gegeven werden en het schoolgeld dat ervoor betaald werd, hing af van wat de ouders wilden dat hun kind zou leren. De competitie tussen scholen om ouders en studenten aan te trekken hield de kost van het onderwijs behoorlijk laag: vermoed wordt dat zelfs de armste families hun zonen voor enkele jaren naar school konden laten gaan. Armere kinderen leerden een ambacht door in de leer te gaan bij een vakman. Hun ouders stelden een overeenkomst op met de vakman waarin ze aanduidden welke vaardigheden hij zou aanleren en de deze werd enkel betaald als hij het contract was nagekomen.
Atheense ouders zochten onderwijs voor hun kinderen in drie algemene categorieën: lichaamsoefening, grammatica (het lezen en schrijven), en muziek (het kunnen bespelen van een instrument, goed kunnen acteren en dansen). Alle drie waren ze van groot praktisch nut. Kracht en behendigheid waren belangrijk aangezien oorlog een constante dreiging was, en elke gezonde burger in het leger moest dienen. Muziek was belangrijk voor het in stand houden van de eeuwenoude orale traditie, die geschiedenis en literatuur doorgaf in de vorm van epische poëzie. Vanaf de 5e eeuw v.Chr. begon het schrift aan belang te winnen, in de wetenschap, literatuur en zakenwereld.
Met groei van de volksvergadering in Athene steeg ook de vraag naar retorische vaardigheden. Rondreizende leraren brachten tegen betaling kinderen deze vaardigheden bij. Dit waren de sofisten. Ze rekruteerden studenten door redevoeringen te houden op de stadspleinen, waardoor iedereen hun talenten kon beoordelen. Naast retoriek en filosofie, werd er door de sofisten een zeer divers palet aan vakken aangeboden waartussen de studenten konden kiezen. Op allerlei plaatsen werden er lezingen gehouden: buitenshuis, in het huis van de leraar, en soms in huizen die speciaal voor de gelegenheid gehuurd werden. Studenten van alle leeftijden die geïnteresseerd waren en in staat om mee te doen, konden dat.
Naarmate de nood aan hoger onderwijs hoger werd, ontstonden er rond de 4e eeuw v.Chr. een paar scholen in Athene. De academie van Plato en het lyceum van Aristoteles waren plaatsen waar studenten gratis konden komen om met elkaar in discussie te gaan, en lezingen bijwoonden. Daarnaast ontstonden ook scholen die betalend onderwijs aanboden. De meest bekende is de school van Socrates. Aspasia, een vrouw afkomstig uit Milene, richtte in Athene een school op waar ook meisjes naartoe mochten. Er kwam veel protest vanuit de hogere kringen, maar de school werd niet verboden. Aspasia genoot een zeer goede reputatie als redenares: volgens Plato werden haar lezingen bijgewoond door groten als Socrates en Pericles.


Onderwijs in Sparta
Sparta was een oligarchie met twee koningen aan het hoofd. Over de macht van de volksvergadering is niets bekend. Basisidee van de Spartaanse machthebbers was dat het belang van de staat primeerde boven het belang van het individu. Dit reflecteerde zich ook in het Spartaanse onderwijsmodel, de 'agoge'. Biograaf Plutarchus beschrijft de ideeën van Lycurgus, één van Sparta's meest geprezen leiders, over het Spartaanse burgerschap:
"Eerst en vooral behoorden kinderen volgens Lycurgus niet toe aan hun vaders, maar aan de stad. Daarom wilde hij dat burgers niet zomaar uit gelijk welke partners voortgebracht werden, maar uit de beste. Verder zag hij heel wat domheid en pretentie bij andere heersers als het over deze zaken ging. Zulke mensen laten hun teven en merries dekken door de beste honden en hengsten die ze maar kunnen vinden, tegen betaling of voor een wederdienst. Maar ze sluiten hun vrouwen op en bewaken ze, en claimen het exclusieve recht om hun kinderen zelf voort te brengen."[2]
Overspel werd aangemoedigd, en een grote kroost werd aanzien als een deugd. Nieuwgeboren baby's werden door de stadsoudsten geïnspecteerd op afwijkingen. Baby's die niet voldeden aan de norm, werden volgens Lycurgus naar de zogenaamde Apothetae gebracht, een kloof in het Taygetosgebergte. Hier zouden ze naar beneden zijn gegooid, al vertelt Plutarchus dat niet. Vanaf de leeftijd van zeven jaar werden alle jongens weggehaald van hun familie om in staatsinternaten school te volgen. Ouders hadden geen inspraak in de scholing van hun kinderen.
Een klas jongens werd 'boua' genoemd, het woord voor kudde. Uit elke klas werd een dominante jongen gekozen als kuddeleider. De directeur van de school heette 'paidonomus'(herder). De paidonomus werd uit de aristocratische middens gekozen. Hij had de autoriteit om de jongens te trainen en om ze met harde hand discipline bij te brengen. Hij werd bijgestaan door twee assistenten die met zwepen de gehoorzaamheid erin drilden. Soms werd een willekeurige jongen zomaar in elkaar geslagen, om te zien hoe sterk hij was. Als hij dat dan niet overleefde, had hij pech.
Het onderwijs bestond vooral uit fysieke training: gymnastiek, lopen, springen, speer- en discuswerpen. Ook werden ze getraind om pijn, honger, dorst, koude en slaapgebrek te verdragen. De kinderen liepen blootsvoets, en droegen zomer en winter hetzelfde doek - dat ze éénmaal per jaar van de staat kregen. Volgens Plutarchus werden studenten wel ingewijd in het lezen en schrijven, maar "niet meer dan nodig". Veel gelezen werd er niet in Sparta: boeken en geschreven wetten bestonden vrijwel niet in de stadstaat. Kinderen leerden op school militaire gedichten, krijgsliederen en het citeren van Homerus. Retoriek leren bij een leraar was echter een strafbaar feit. Het was ook niet toegelaten om zaken toe te voegen aan het opgelegde curriculum: nieuwe technieken introduceren bij het worstelen of in de krijgskunst was streng verboden. Er werden opzettelijk kleine porties uitgedeeld bij de maaltijden, om het bestelen van boeren en slaven aan te moedigen. Dit zou sterke, plunderzuchtige legers voortbrengen.
Vanaf achttien jaar kregen de jonge Spartanen een verdere training in een instituut dat bekend staat als de 'krypteia'. Jonge mannen werden in groepen verdeeld en weggestuurd naar het platteland, waar ze moesten overleven door te jagen en te stelen. Hun voornaamste missie was echter om de boeren aan te vallen, als laatste fase van hun militaire training.

Griekse invloed in Rome
Onder invloed van de Grieken kwamen er in Rome in de 3e eeuw v.Chr. naast de scholen voor jongens en meisjes (die ludus genoemd werden) ook Griekse scholen. Het grote verschil tussen deze twee scholen was dat er in de ludus onderwijs gegeven werd op het gebied van lezen, schrijven en rekenen, terwijl er in de Griekse scholen les gegeven werd door een grammaticus op het gebied van de Griekse taal- en schrijfkunde en les in de geschiedenis van Griekse auteurs. In de 1e eeuw v.Chr. kwam daar ook de Latijnse school bij.
Bij het hogere onderwijs kwamen er in Rome onder Griekse invloed later ook nog de onderwijsgebieden, grammatica, retorica (kunst van de spraak), dialectica (samen onder de noemer Trivium) en het zogenoemde quadrivium (rekenen, astronomie, geometrie en muziek) bij. Trivium en quadrivium worden samen Artes liberales genoemd. Artes liberales wordt gevolgd door kinderen van 12 tot 14 jaar oud. Naast deze scholen was er nog een aparte rol voor de scholen die les gaven in de leer van het recht, de lichaamsbeweging en de militaire scholen.
Na het wegtrekken van de Romeinen verdwenen in West-Europa de scholen waar er les werd gegeven in de stijl van Artes liberales (de scolae publicae) en dit onderwijs werd nu verdeeld onder de kloosters en enkele hogere, private onderwijsinstellingen.

Scholastische traditie
Vóór de twaalfde eeuw speelde het intellectuele leven in Europa zich af in kloosters, waar vooral liturgie en gebed werd bestudeerd. In de twaalfde en dertiende eeuw was er voldoende welvaart om een professionele clerus te betalen en bisschoppen zijn toen begonnen met het oprichten van kathedraalscholen om de clerus het canonieke recht te laten onderwijzen, alsook kerkelijke administratie, boekhouden, logica en retoriek (voor theologische discussies en preken). Kathedraalscholen hadden meestal slechts één leraar. Dit was het begin van de scholastische traditie.
De scholastiek was een filosofische school aan de middeleeuwse universiteiten die wilde aantonen dat het denken van de oudheid niet in strijd was met het katholieke geloof. De scholastici bestudeerden boeken van beroemde auteurs, alsook de bijbel, waar de interne contradicties van werden besproken. De hoogdagen van de scholastiek is de periode 1250 tot 1350. In deze periode werd naast theologie ook natuurfilosofie, psychologie, epistemologie en wetenschapsfilosofie bedreven. Alle scholastici bleven echter verbonden aan de kerkelijke doctrine en bepaalde geloofskwesties konden nooit aangeraakt worden zonder vervolging voor ketterij. De scholastische methode, met de lectio en de disputatio lag aan de basis van de indeling van onze huidige scholen: de leraar vooraan een klas met studenten.

Reformatie
De geschiedenis van het Europese onderwijs na de reformatie kenmerkt zich door de invoering van protestants onderwijs naast het traditioneel rooms-Katholieke onderwijs en de invoering van staatsonderwijs.
In de 16e eeuw revolteerden Maarten Luther en de humanisten tegen de scholastische methode. Het kerkelijke instituut werd bezien als een onnodige tussenschakel tussen de mens en God, en het daaraan verbonden onderwijs werd door de humanisten afgewezen. Academische individualiteit, gebonden aan een sterke moraliteit, vormden de kern van het protestantse betoog. Het bestuderen van de originele klassieke teksten stond centraal. Het goede kon bereikt worden door de schrift, de genade en het geloof in God en Christus.
Toch was er ook bij de protestanten een sterke hang naar centraliteit. Volgens de protestanten moest het monopolie van de rooms-Katholieke kerk vervangen worden door een overheidsmonopolie. Luther: "Als de regering burgers die geschikt zijn voor militaire dienst kan dwingen tot het dragen van speer en geweer, het bestormen van bolwerken en het vervullen van andere krijgsplichten in tijd van oorlog, hoe veel meer heeft zij dan een recht om mensen te dwingen hun kinderen naar school te zenden, omdat we in dit geval oorlog moeten voeren met de duivel"[3].
De Verlichting nam het idee van discipline en moraliteit over. Franse Verlichtingsfilosofen zoals Jean-Jacques Rousseau stonden aan de bakermat van een onderricht dat de nijvere burgerij moest helpen in hun maatschappelijke opgang.


Pruisen was het eerste land dat op "succesvolle wijze" de schoolplicht invoerde in 1819. Doel hiervan was uniformiteit en gehoorzaamheid te creëren. Staatsscholen leverden soldaten voor het leger, arbeiders voor mijnen, boerderijen en industrie, en ambtenaren voor de bureaucratie.

Pruisen in de publieke herinnering

Pruisen was in de Bondsrepubliek Duitsland in de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog slechts in beperkte mate het onderwerp van discussie. Veel Duitsers brachten het land in verband met de opkomst van het nazisme, zoals ook de geallieerden hadden gedaan. Pruisen was in de ogen van Winston Churchill de bron van alle kwaad die met wortel en tak moest worden uitgeroeid. Het regime van de Duitse Democratische Republiek probeerde, onder meer door het slopen van symbolische gebouwen, de herinnering aan Pruisen te doen vervagen. De Oost-Duitse communisten hoopten met de verwijdering van de Junkerklasse het vermeend reactionaire Pruisen voorgoed te vernietigen. Preußentum stond volgens hen immers voor een intolerante, inhumane en militaristische politieke cultuur die met kadaverdiscipline, blinde gehoorzaamheid en stampende laarzen de weg zou hebben vrijgemaakt voor het nazisme.
In de late jaren '70 en vroege jaren '80 kende de BRD echter de zogenaamde Preußenwelle, waarin Pruisen veelvuldig in de aandacht stond en het onderwerp was van heftig debat. In deze jaren formuleerde men ook de typisch Pruisische "deugden", zoals bescheidenheid, discipline, plichtsgetrouwheid en zelfopoffering. In deze optiek was Pruisen de drager van een rationele orde met een tolerante houding ten opzichte van religieuze minderheden, goed onderwijs, vooruitstrevende sociale politiek en een efficiënte en niet-corrupte bureaucratie.
Serieuze pogingen Pruisen nieuw leven in te blazen zijn er nooit geweest, afgezien van een afgewezen voorstel de deelstaten Berlijn en Brandenburg samen te voegen onder de naam Pruisen. Een belangrijke factor in de snelle "dood" van het land was het feit dat Pruisen een kunstmatige eenheid was geweest, die niet uitging van het woongebied van een volk, zoals Beieren en Saksen, maar slechts was ontstaan door de ambities en lotgevallen van het vorstenhuis. De 'Pruisen' als volk bestond uit een conglomeraat van als voornaamste Saksen, Franken, Hessen en Polen en vele andere kleinere volksgroepen. In de late Middeleeuwen en Moderne Tijd waren trouwens ook vrij veel groepjes kolonisten uit de Lage Landen naar het oosten getrokken zoals de streek rond Koningsbergen.
Pruisen leeft in de Duitse taal nog voort in uitdrukkingen als preußischer Drill (harde drill) en preußisch sparsam (erg zuinig). In Beieren worden inwoners van Noord-Duitsland nog steeds vaak pejoratief Preißn genoemd en is het scheldwoord Saupreiß (rot-Pruis) nog algemeen gangbaar als aanduiding voor deze bevolkingsgroep. In Nederlandse dialecten bestaan nog woorden als Pruis en Pruus, die Duitser betekenen. Verder herinneren in de taal de namen van de kleur Pruisisch blauw, de plaats Preußisch Oldendorf en de voetbalclubs Borussia Dortmund, Borussia Mönchengladbach en Preußen Münster nog aan het land. En, last but not least: het zwart-witte tenue van Duitse sportteams, het nationale voetbalteam inbegrepen, is ontleend aan het zwart/wit van de Pruisische vlag.

Leerplicht


Leerplicht is de wettelijke verplichting kinderen onderwijs te laten volgen. Wanneer sprake is van de verplichting om dit aan een school te doen, wordt dit schoolplicht genoemd. Leerplicht en schoolplicht verschillen van land tot land, waarbij in sommige landen thuisonderwijs wel toegestaan is en in andere landen niet of slechts onder bepaalde voorwaarden.



Nederland

Geschiedenis
De eerste Leerplichtwet in Nederland werd aangenomen in 1900 en werd effectief op 1 januari 1901. Deze wet verplichtte kinderen van 6 tot 12 jaar tot het volgen van onderwijs. De leerplicht startte dus bij de aanvang van het schooljaar nadat de kinderen ten volle 6 jaar geworden zijn. Voor sommige kinderen werden uitzonderingen gemaakt, zoals voor boerenkinderen tijdens de oogsttijd. Dochters mochten ook thuis blijven om het gezin te verzorgen.
De leerplichtwet van 1900 werd met 50-49 stemmen aangenomen, doordat een tegenstander (Francis David Schimmelpenninck) van zijn paard was gevallen en daardoor niet kon stemmen. Het paard is verstandiger dan zijn meester zeiden voorstanders van de Leerplichtwet. Vooral onder de christelijke partijen was verzet, omdat ze het bestaansrecht van christelijke scholen bij wet geregeld wilden hebben. Dit gebeurde pas in 1917 (het beroemde Artikel 23 van de Grondwet). De socialisten waren ook tegen de wet, maar dan omdat zij de wet niet ver genoeg vonden gaan. De Leerplichtwet 1900 kende als speciale vorm van onderwijs ook nog het huisonderwijs (zoals dat in adellijke families toen nog voorkwam) als geldige vorm van onderwijs, mits door een bevoegde onderwijzer gegeven. Had dat huisonderwijs er niet in gestaan, dan zouden diverse Kamerleden tegen hebben gestemd... Een compromis dus.
In 1969 werd een nieuwe Leerplichtwet ingevoerd, vanaf dat moment heet de wet Leerplichtwet 1969. De leerplichtperiode werd verlengd naar 9 jaar. Verder werd bij wet een toezichthouder aangesteld (de zogenaamde leerplichtambtenaar), die op naleving van de Leerplichtwet moest toezien, ter vervanging van de vroeger bestaande commissies tot wering van schoolverzuim.
In 1975 werd de leerplichtperiode nog eens verlengd, naar 10 jaar en werd toegevoegd dat een kind na 10 jaar nog partieel leerplichtig (2 dagen per week) is tot en met het schooljaar waarin het kind 17 is geworden. Ook werd bepaald dat meerderjarigheid niet langer een criterium is om aan de leerplicht te ontkomen. Dit laatste werd toegevoegd omdat steeds meer allochtone meisjes voor hun 16e trouwden en zo voor de wet meerderjarig werden en niet langer leerplichtig waren. De partiële leerplicht werd veelal vervuld (als men niet naar een dagschool bleef gaan) op een vormingscentrum, waar veel maatschappijleer e.d. werd gegeven om de jongeren weerbaarder te maken. Velen ontdoken echter deze partiële leerplicht en werkgevers wilden geen jongeren van 16 aannemen omdat ze die 2 dagen in de week verlof moesten geven (en 17-jarigen 1 dag).
Per september 1985 werd de Wet op het lageronderwijs ingevoerd. Daarbij wordt de kleuterschool voor kinderen van 4 en 5 jaar samengevoegd met de lagere school tot de basisschool. Tegelijkertijd wordt het begin van de leerplicht vervroegd. Tot dan toe moesten de kinderen naar school aan het begin van het schooljaar als ze 6 jaar waren, of voor 1 oktober (de peildatum) 6 jaar zouden worden. Van die tijd af moesten kinderen naar school vanaf de eerste schooldag van de maand na de maand waarin ze 5 jaar worden.
Huidige regeling
Tijdens Prinsjesdag presenteerde het kabinet Balkenende III de miljoenennota voor 2007. Daarin werd aangegeven de leerplicht per 1 augustus 2007 te verhogen (van partieel leerplichtig vanaf 16 jaar naar volledig leerplichtig tot 18 jaar) voor jongeren die geen startkwalificatie hebben gehaald (beleidsterm van het kabinet die staat voor een diploma op minimaal MBO-niveau 2 of minimaal havo of vwo). Dit wordt ook wel de "Kwalificatieplicht" genoemd. Hiermee wil het kabinet voortijdige schooluitval bestrijden.
Inmiddels begint de leerplicht op de eerste dag van de maand na de vijfde verjaardag van een kind en duurt tot de achttiende verjaardag. De partiële leerplicht die gold vanaf het zestiende jaar (of zoveel eerder als 12 jaren leerplicht verstreken zijn) gedurende één of twee dagen per week is daarmee vervallen. Bij aanvang van de leerplicht is een kind dus minimaal 5 jaar en een dag en maximaal 5 jaar en een maand.
In de Leerplichtwet is vastgelegd dat ouders ervoor moeten zorgen dat hun kinderen bij een school staan ingeschreven en dat zij de school bezoeken. Vanaf de leeftijd van 12 jaar zijn leerplichtige jongeren zelf ook verantwoordelijk voor regelmatig schoolbezoek van de school waar zij staan ingeschreven. Het aan regels binden van schoolverzuim om regelmatig schoolbezoek te verzekeren is een manier om te bereiken dat zo veel mogelijk jongeren zoveel mogelijk lesuren bijwonen.


Uitzonderingen

Leerlingen voor wie het volgen van volledig dagonderwijs niet haalbaar is, kunnen gebruikmaken van de vervangende leerplicht. Hieraan zijn strenge regels verbonden. De vervangende leerplicht geldt voor jongeren vanaf 14 jaar. Burgemeester en wethouders beslissen over een verzoek tot vervangende leerplicht.
Bij ziekte, schoolsluiting en vervulling van plichten die voortvloeien uit godsdienst of levensovertuiging kunnen/hoeven leerlingen de school niet te bezoeken. Ouders of verzorgers kunnen bij gewichtige omstandigheden (bijvoorbeeld i.v.m. sterfgevallen in de naaste familie, ernstige ziekte van ouders en zeer slechte weersomstandigheden) verlof aanvragen bij de directeur van de school.
Ook bestaat de mogelijkheid om extra vakantieverlof (maximaal 10 schooldagen) bij de directeur van de school aan te vragen. Dit verlof geldt alleen voor gezinnen die vanwege seizoensgebonden werkzaamheden in de zomermaanden niet op vakantie kunnen. In de praktijk is de kans dat verlof wordt toegestaan doorgaans nihil. Immers de Leerplichtambtenaar controleert de scholen hierop en kan bestraffend tegen de directeur optreden indien deze op oneigenlijke gronden extra vakantieverlof zou toekennen. Tegen een weigering kan men op een openbare school een bezwaar- en evt. beroepsprocedure beginnen binnen zes weken na de bekendmaking ervan (zoals voor alle overheidsbeschikkingen). In het bijzonder onderwijs (bv Katholiek onderwijs) gelden de regels van de Kerkelijke Overheid of het schoolbestuur. Voor verlof voor meer dan tien dagen dient een verzoek in gediend te worden bij de leerplichtambtenaar van de gemeente (idem voor bezwaar enz.).
Ouders die hun kinderen toestaan 'schoolziek' te zijn, overtreden daarmee de Leerplichtwet en zijn strafbaar. Het is een misverstand dat kinderen recht hebben op een of meer baal- of snipperdagen. Directeuren kunnen elke dag van ongeoorloofd verzuim melden aan de Leerplichtambtenaar. Vanaf drie dagen verzuim is een schooldirecteur in het primair en voortgezet onderwijs dit verplicht te melden. Voor mbo-instellingen geldt die verplichting bij een verzuim van 1/8 deel van het aantal uren les- of praktijktijd in vier opeenvolgende weken.[1] Indien een directeur het verzuim niet meldt aan de Leerplichtambtenaar is hij zelf strafbaar en kan de Leerplichtambtenaar de directeur straffen door een proces verbaal tegen hem op te stellen.


Toezicht en handhaving

De Leerplichtwet bepaalt dat gemeenten toezicht houden op de leerplicht. Bijna iedere gemeente heeft daarom tegenwoordig een leerplichtambtenaar die controleert of iedere leerplichtige jongere ingeschreven is bij een school en gaat na wat de reden is als jongeren vaak wegblijven van school. De leerplichtambtenaar kan een proces-verbaal opmaken als er langer dan 2 dagen wordt verzuimd. De boete is 50 euro per dag. Dit wordt nogal eens in rekening gebracht bij ouders die hun kind meenemen naar wintersport. De meeste scholen geven het verzuim echter niet volledig door aan de leerplichtambtenaar, ook om de verhouding met de ouders goed te houden.

Voorstellen voor strenger toezicht op particuliere scholen
In 2007 is een wetswijziging van de Leerplichtwet in behandeling bij de Eerste en Tweede Kamer.[2] Deze wetswijziging beoogt onder andere aanscherping van de criteria waaraan niet door de staat bekostige (particuliere) scholen moeten voldoen. De Raad van State heeft negatief geoordeeld over dit wetsvoorstel. Volgens de Raad houdt het voorstel een beperking van de grondwettelijke vrijheid van onderwijs in en is het voorstel overbodig omdat slecht presterende scholen ook onder de huidige wetgeving kunnen worden aangepakt. De Tweede Kamer heeft het wetsontwerp goedgekeurd terwijl de Onderwijsraad in het geheel niet is gehoord. De Eerste Kamer heeft hierop de nodige aanmerkingen gemaakt en de minister en de staatssecretaris om opheldering gevraagd.
Particuliere scholen met een sterk vernieuwende instelling zijn fel gekant tegen het wetsvoorstel. Zij voelen zich ernstig in hun vrijheid beperkt. Bovendien hebben zij zelf geen rechtsingang voor bezwaar en beroep als zij het over de inrichting van het onderwijs niet met de inspectie eens zijn. De ouders van leerlingen worden op grond van overtreding van de Leerplichtwet in rechten betrokken.
Bezwaren tegen de leerplicht

Er zijn ook bezwaren tegen de leerplicht.
De leerplicht is ruim 100 jaar geleden ingevoerd om te voorkomen dat kinderen moesten werken. Het was een wet ter bescherming van de kinderen. Tegenwoordig zijn er ook andere wetten die het werken van kinderen tegenhouden en wat dat betreft is de leerplicht overbodig. Het wordt door sommigen als betuttelend ervaren.
Het onderwijs is voor sommige groepen leerlingen zoals degenen die hoogbegaafd zijn zo slecht, dat ze vaak beter af zijn als ze geen school krijgen. Deze groep heeft ook veel vrijstellingen.
Veel leerlingen vinden het onderwijs zo slecht dat ze geen zin hebben om te komen. Op het MBO, zeker op niveau 1 en 2, wordt massaal gespijbeld. Dit wordt min of meer toegestaan, er wordt in ieder geval (te) weinig aan gedaan om dit effectief te voorkomen.






België

Geschiedenis
In de Belgische grondwet staat geschreven dat iedereen recht heeft op onderwijs, met eerbied voor de fundamentele rechten en vrijheden. Om dit leerrecht te garanderen, is er een leerplicht. Deze leerplicht is gebonden aan het kind. Het maakt niet uit hoe het kind onderwijs krijgt. De vrijheid van onderwijs is in België van toepassing op de ouders. Overtredingen van de leerplichtwet kunnen dus nooit door de leerlingen, maar enkel door de ouders begaan worden.
De wet van 19 mei 1914 introduceerde de leerplicht voor alle kinderen tussen 6 en 12 jaar en stipuleerde dat de bovenste leeftijdsgrens zou verhoogd worden tot 13 en vervolgens 14 jaar. De leerplicht viel dus samen met het lager onderwijs. In 1953 werd de leerplicht verlengd tot 15 jaar. Toen in de jaren zeventig een aantal studies een duidelijke verband toonden tussen onderwijsniveau en werkloosheid, werd de leerplicht verlengd tot 16 jaar. Uiteindelijk werd de leerplicht door de wet van 29 juni 1983 verlengd tot 18 jaar.

Huidige regeling
De leerplicht gaat in op 1 september van het burgerlijk jaar waarin het kind 6 jaar wordt en duurt 12 volle schooljaren. Bij aanvang van de leerplicht is een kind dus minimaal 5 jaar en 8 maanden (namelijk, als het nog op 31 december van dat jaar verjaart) en maximaal 6 jaar en 8 maanden (als het al op 1 januari van dat jaar verjaard is). Op één september 2008 vatten dus in de regel alle leerlingen geboren in 2002 het eerste leerjaar aan.
Hoewel leerplicht nog een federale bevoegdheid is voegde de Vlaamse minister van onderwijs vanaf schooljaar 2008-2009 een bijkomende voorwaarde toe: alvorens in het eerste leerjaar te kunnen starten, moet de leerling minstens één jaar (Nederlandstalig) kleuteronderwijs gevolgd hebben. Formeel wordt de leerplichtdatum niet gewijzigd; in de praktijk komt het er wel op neer dat iedereen een jaartje eerder naar school moet beginnen gaan.
Alle kinderen die in België verblijven zijn leerplichtig. Vanaf 15 of 16 jaar kan een jongere deeltijds leren en deeltijds werken en zo aan de leerplicht voldoen in DBSO of in de leertijd. De leerplicht eindigt op het einde van het schooljaar (op 30 juni dus) van het jaar waarin de leerling 18 jaar wordt of wanneer het diploma secundair onderwijs wordt behaald (ongeacht de leeftijd van de jongere).
Leerplicht is geen schoolplicht. Huisonderwijs is ook mogelijk. Ouders die hiervoor kiezen moeten dit aan het departement onderwijs meedelen. De Vlaamse overheid zorgt voor een leerplichtcontrole, om na te gaan of alle leerplichtige leerlingen wel aan de leerplicht voldoen. De leerplichtcontrole betreft zowel: is elke leerling ingeschreven in een school (of erkend als huisonderwijs)? als: volgt elke leerling regelmatig de lessen?. Onder deze leerplichtcontrole valt dus ook het begeleiden van spijbelaars. Waar de inspectie eerder sanctionerend optreedt naar ouders, zal het CLB trachten de leerling en (zijn ouders) te begeleiden, m.a.w. iets te doen aan de onderliggende oorzaak van het spijbelen.
De Belgische grondwet bepaalt voorts dat het onderwijs kosteloos is tot het einde van de leerplicht. De toegang tot het kleuteronderwijs (een uitzondering, want geen leerplichtonderwijs), het lager onderwijs en het secundair onderwijs is gratis. Basis- en secundaire scholen die door de overheid gefinancierd of gesubsidieerd worden, mogen dus geen inschrijvingsgeld vragen. Voor het secundair onderwijs bestaat een stelsel van schooltoelagen voor ouders met een laag inkomen. Vanaf 2008-2009 wordt ook een schooltoelage voor kinderen van het lager onderwijs voorzien.




Suriname

Suriname was het eerste gebied in het Koninkrijk der Nederlanden waar een wettelijke leerplicht gold. De gouverneur van de kolonie Suriname, jhr. C.A. van Sypesteyn, voerde op 8 december 1876 een algemene leerplicht in voor kinderen van 7 tot 12 jaar. Tegelijk werd het Nederlands ingevoerd als enige onderwijstaal. Tot dan werd in veel scholen lesgegeven in etnische talen als Surinaams ('Negerengelsch') en Saramaccaans. Het Nederlandstalige onderwijs zorgde ervoor dat kennis van het Nederlands niet langer beperkt bleef tot de (blanke) bovenlaag van de bevolking, maar zich verspreidde over de gehele bevolking en kon uitgroeien tot de nationale taal die het vandaag is. Bovendien kreeg de bevolking via het onderwijs toegang tot de Nederlandse cultuur en werd zodoende het hogere doel 'volksverheffing' in de praktijk gebracht.
Sinds de instelling van de leerplichtwet in 1876 heeft deze geen wijzigingen ondergaan. Tegenwoordig gaan de meeste kinderen echter al vanaf hun vierde jaar naar school en volgen ze onderwijs tot hun zestiende. Bij de meeste lagere scholen bevindt zich ook een kleuterschool.


Nederlandse Antillen

In tegenstelling tot Suriname, heeft de Nederlandse koloniale overheid op de Nederlandse Antillen nooit een leerplicht ingesteld. Dit is tevens een verklaring voor de zwakke positie van het Nederlands en de sterke positie van de volkstalen Papiaments en Engels op de eilanden.
De Staten van de Nederlandse Antillen stelden, naar aanleiding van de ratificatie van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, op 19 juli 1991 een Leerplichtlandsverordening vast. Deze zou vervolgens middels eilandsverordeningen op de afzonderlijke eilanden ingevoerd worden: op Curaçao op 2 december 1991, op Saba op 20 april 1994, op Bonaire op 12 augustus 1996 en op Sint Eustatius op 27 november 1997. Op Sint Maarten is de leerplicht nog steeds niet ingevoerd, omdat de scholen niet voldoende capaciteit hebben om de grote hoeveelheid kinderen van illegalen op het eiland naar school te laten gaan.
Het eiland Aruba, dat sinds 1986 een aparte status als Land binnen het Koninkrijk geniet, kent nog altijd geen leerplicht, als een van de laatste landen ter wereld. De doelstelling is om voor 2011 leerplichtwetgeving door te voeren.


Frankrijk

In Frankrijk poogde men de leerplicht in te stellen na de revolutie van 1848, maar pas met de wet van 28 maart 1882 werd de leerplicht ingevoerd. Het basisonderwijs wordt dan verplicht voor leerlingen (jongens èn meisjes) van 6 tot 13 jaar. De wet voorzag dat ook aan de leerplicht kon worden voldaan door huisonderwijs.
De wet was voor zijn tijd vooruitstrevend, en voorzag zelfs in het opgelegde minimumprogramma, waaronder naast lezen, schrijven, rekenen, ook "burgerzin" (instruction morale et civique), vaderlandse geschiedenis, creatieve vakken, kennismaking met de natuurwetenschappen en hun toepassingen, inbgrepen het hanteren van werktuigen en zorg voor hygiëne. Zeer merkwaardig was toen ook (voor de jongens) de "exercices mililtaires"; voor de meisjes was er ondertussen naaiwerk.
In 1936 werd de leerplicht verlengd tot 14 jaar; en in 1959 tot 16 jaar. Voorstellen om de leerplicht te verlengen tot 18 jaar hebben het niet gehaald.
Luxemburg

Onder premierschap van Félix de Blochausen werd op 20 april 1881 door minister van Binnenlandse Zaken Henri Kirpach de leerplichtswet doorgevoerd die het voor kinderen van 9 tot 12 jaar verplicht stelde om onderwijs te volgen.

Commentaar op de school

Het mooie van de wikipedia gegevens is dat ze vrij snel toegang bieden tot de feitelijke ontwikkeling, echter bepaalde vragen worden niet gesteld en dat moeten we dus zelf doen bijvoorbeeld deze vraag:

We zien dat de ontwikkeling van de school begint in Griekenland met het woord vrije tijd.
Iedereen van jong tot oud was met zijn taken bezig om in het levensonderhoud te voorzien.
Had men even niets te doen dan gingen sommige mensen naar plekken waar iets verteld werd en zo werden ze wijzer. Tegenwoordig zou je naar de kroeg gaan om maar een plek te noemen.
Dan lezen we dat rond 1800 de eerste pogingen ondernomen worden om het onderwijs verplicht te stellen en dat gebeurde in Pruisen, als voorloper van het moderne Duitsland, een op dat moment zeer militaristisch ingesteld land.

De vraag die gesteld moet worden is: Hoe komt het nu dat het onderwijs van een vrije keuze tot een verplichting wordt? Maw wat zijn mogelijke motieven om zoiets te doen?

Een vraag die in het verlengde hiervan ligt is: als wij deze motieven bestuderen, zouden wij dan nu ook nog een leerplicht instellen?  Maw is het nodig in een beschaafd land er een leerplicht op na te houden?


Wat was er rond 1800 in Europa aan de hand?
Wie zien enorme machtsverschuivingen plaatsvinden en de oorlogen en oorlogjes waren aan de orde van de dag, een kokende kolkende massa die aan het uitkristalliseren is.
Een tweede gegeven in deze pre-wereldoorlogse periode was er aan de hand namelijk: de techniek maakte steeds meer stappen voorwaarts,  waardoor er een reproductie mechanisme op gang kwam dat niet meer te stoppen leek, bleek.
Een derde gegeven is de toenemende aantallen mensen.

Om dit reproductie mechanisme te bemannen waren mensen nodig, die met techniek konden omgaan.

Nu kunnen we de reproductie kracht, die er in de landbouw ook is, inzetten ten behoeve van een in aantal toenemende bevolking. Zo zijn er steeds meer tafels en stoelen nodig, huizen, tandenborstels, kleding etc. Maar men kan dit reproductie mechanisme ook inzetten ten behoeve van de machtsuitbreiding en dat wil dan zeggen steeds meer soldaten, steeds meer geweren, steeds meer uniformen.

Op een bepaald moment werd 80 % van de staatshuishouding in Pruisen uitgegeven aan militaire doelen.

Er ontstond een overspannen machtsopbouw door toename van mensen en middelen.

In dit hele proces lijkt het een voor de staat cq de machthebbers een handige en haast logische zet de mensen te onderwerpen aan een leerplicht. Zo krijg je meer "uniforme" mensen, die uitermate geschikt zijn voor de toenemende taken in het leger en de toenemende administratieve (ambtelijke) taken.
Beide gebieden vragen om een sterke hiërarchische benadering en volgzame gezagsgevoelige mensen.

De in het verlengde liggende vraag bij dit alles is natuurlijk: heeft een staat het recht mensen op een dergelijk manier te modelleren? Een ander woord voor modelleren is indoctrineren en hoe verhoudt zich dat tot bv een democratie?

Of met andere woorden, waar haalt de staat het recht vandaan?
Wie is deze anonieme staat?

Deze vragen zijn hedentendage nog steeds actueel, zeker na de leerplichtleeftijd verhoging tot 18 jaar.

Je vraagt je af: wat is het motief achter deze beslissing?

Als je het de politici vraagt, krijg je allerhande nobele verhalen dat het voor de kinderen goed is een opleiding af te ronden, want dan hebben ze meer kans op werk. Een tweede nobel motief is de jonge kinderen voor reproductie arbied te beschermen. Dit heeft ook goed gewerkt, maar nu zijn er inmiddels andere wetten die die bescherming hebben overgenomen. En is er werkelijk sprake van bescherming als je de deelname aan reproductie werk alleen maar uitstelt door het invoeren van de leerplicht?

Klinkt allemaal mooi, maar zijn dat de ware redenen?

We zien op dit moment in Griekenland de scholieren en studenten weer de straat opgaan nav het doodschieten van een medescholier en ze eisen veranderingen. De woede en verontwaardiging is enorm. En daarbij valt op te merken dat het niet zo kan zijn dat alleen de dood van de scholier de oorzaak is. Het was de aanleiding voor een onvrede die er lang en heel diep zit.

Vorige jaar met oud en nieuw gingen er in Nederland 22 scholen in vlammen op. Hoeveel worden het er dit jaar?

In Frankrijk heeft de jeugd zich ook al geroerd. Honderden auto's gingen in vlammen op.

Er hoeft maar een kleinigheid te gebeuren en de wereld staat letterlijk in brand.

Daar hoor ik geen enkele politicus over.

Het probleem, de problemen worden onderdrukt door de wettelijke leeftijd verhoging en het aanstellen van spijbelrechters, een puur repressief motief zou ik zelf zeggen.

De politiek heeft geen antwoord op de behoeftes van de jeugd. De jeugd, die allang weet en zeker nu de economieën aan het instorten zijn, dat een zogenaamd goede opleiding een garantie zou zijn voor een goede baan.

Allemaal leugens. En als we de ontwikkelingen serieus nemen is het ook beter, dat de jeugd leert aan te sluiten bij wat er in hen zelf leeft, wat ze zelf belangrijk vinden. Daar moeten ze het per slot van rekening hun hele leven mee doen. Dat is ook een culturele vrijheid om het zo te benaderen. Maar wat doe je met leerkrachten die als slaafse ambtenaren in de hierarchie staan? Nu de minister, als hoogste in de hierarchie, zegt dat er een ander soort leerboeken moeten komen, dan reageert het veld pas. Is het niet beschamend?

Als de bedrijven het zo belangrijk vinden om zus of zo geschoolde mensen in dienst te hebben, dan moeten ze daar zelf in voorzien en niet de staat.

De staat dient de materiële voorwaarden te scheppen, dat iedereen in vrijheid zich ontwikkelen kan.

Alles wat de staat meer doet tast het vrijheidsbeginsel in de mens zelf aan.

De mens is bedoeld als een vrij en verantwoordelijk wezen.

En verantwoordelijkheid leren dragen wordt niet bevorderd door het te eisen. Het moet een vanzelfsprekendheid worden vanuit het handelen zelf.

Zoals de scholen nu ingericht zijn is er geen sprake meer van vrije handeling maar van opgelegde reproductie.










Andere artikelen over dit onderwerp op deze site:


Künkel over verantwoordelijkheid

Plasterk en onderwijs

Kinderen

zeg-maar-ja door Jan Ligthart

Montessori het kind als meester

Onderwijs op maat gezaagd

Spijbelrechters

Onderwijs

Duisenberg

Opvoeding

Berichten van het front


Fragment uit de film de kwelling van Alf Sjöberg 1944
naar een manuscript van Ingmar Bergman
het was het eerste contact van Bergman
met de filmwereld.
Schoolstrijd (Nederland)
De schoolstrijd in Nederland was een sterk ideologisch geladen worsteling in het negentiende eeuwse en twintigste eeuwse Nederland over de vormgeving van het onderwijsbestel. Deze strijd mondde uiteindelijk uit in een algehele gelijkstelling tussen bijzonder onderwijs en openbaar onderwijs.

Vrijheid van onderwijs (1806-1857)
Na de Franse tijd (1795-1813) ontstond er in Nederland een krachtige neiging tot nationale wetgeving. Tot de Franse tijd waren de gewesten van de Republiek min of meer autonoom. In het begin van de 19e eeuw komen verschillende grondwetten en wetten op het onderwijs tot stand. Van belang voor het verstaan van de schoolstrijd is de onderwijswet van 1806 uit 1806. Deze wet bevatte onder meer de volgende elementen:
Het onderwijs is openbaar en richt zich op de ontwikkeling van alle maatschappelijke en christelijke deugden.
Orthodox christelijk onderwijs of katholiek onderwijs was onmogelijk. Op alle scholen werd een christendom voorgestaan los van enige geloofsrichting, maar voor die tijd wel sterk liberaal-vrijzinnig geörienteerd.
Het oprichten van kerkelijk gebonden scholen of van scholen met een duidelijke orthodox-christelijke visie of katholieke visie op onderwijs was in beginsel niet toegestaan.
De financiering van het onderwijs moest vooral komen uit schoolgeld dat door de ouders betaald moest worden. Overheden droegen slechts in zeer beperkte mate bij aan de betaling van het onderwijs.
Er was geen sprake van leerplicht. Er werd slechts aangedrongen om kinderen naar school te sturen. In grote delen van het land bleef daardoor het analfabetisme voortwoekeren.
Tegen dit stelsel van onderwijsvoorzieningen rees al spoedig verzet. Isaac da Costa heeft in 1823 in zijn Bezwaren tegen de Geest der eeuw dit stelsel bekritiseerd vanwege het godsdienstige uitgangspunt. In 1834 werd in Smilde een orthodox-christelijke school opgericht, maar die werd van hogerhand verboden. In het zuiden hadden de katholieken geleidelijk steeds meer moeite met het vrijzinnig protestantse karakter van de openbare school. Ook hier begon de weerzin tegen het heersende stelsel (één openbare school voor alle kinderen) geleidelijk te groeien. In Nijmegen werd uiteindelijk, met veel hangen en wurgen, onder leiding van de latere minister Justinus Jacob Leonard van der Brugghen, de eerste erkende orthodox-christelijke school opgericht en erkend. In de grondwet van 1848 werd de vrijheid van onderwijs, onder leiding van Johan Rudolf Thorbecke, opgenomen. De grondwet van 1848 werd als volgt geformuleerd:
Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezigt der overheid, en bovendien, voor zoover het middelbaar en lager onderwijs betreft, behoudens het onderzoek naar de bekwaamheid en zedelijkheid des onderwijzers; het één en ander door de wet te regelen.
Hiermee was de eerste fase van de schoolstrijd beëindigd. Ieder verkreeg de vrijheid binnen het kader van deugdelijkheidseisen een eigen school te stichten. Niet elke school echter werd in gelijke mate uit de schatkist betaald. Daarover ging de schoolstrijd in de tweede helft van de 19e eeuw.
In 1857 ontstaat de onderwijswet van 1857 in Nederland.

Overheidsbekostiging voor het bijzonder onderwijs (1848-1889)
De schoolstrijd, die ruim een eeuw heeft geduurd, mondde uiteindelijk uit in een stelsel van onderwijsvoorzieningen waarbij er onderscheid werd gemaakt tussen openbare en bijzondere scholen. De openbare scholen vielen onder verantwoordelijkheid van het openbare bestuur (gemeenten en rijk). De bijzondere scholen vielen onder verantwoordelijkheid van schoolbesturen die door ouders werden bemand. De schoolstrijd mondde er uiteindelijk in uit dat ouders vrij waren om scholen naar eigen inzicht op te richten en dat deze scholen in financiële zin gelijk werden gesteld met openbare scholen. Deze financiële gelijkstelling tussen openbaar en bijzonder onderwijs kwam in 1917 tot stand en kreeg voor het basisonderwijs gestalte in de Wet op het Lageronderwijs van 1920 (de LO-wet van 1920).
De anti-revolutionaire politicus Groen van Prinsterer (1801-1876) en later Abraham Kuyper heeft hierbij een belangrijke rol gespeeld. Groen van Prinsterer richtte de Vereniging voor Christelijk Nationaal Schoolonderwijs (CNS) op. Het doel van deze vereniging was geld bij elkaar te brengen om bijzondere scholen te kunnen oprichtten. Abraham Kuyper zette in de politiek de strijd voort en richtte het Anti-Schoolwet Verbond op. Hieruit is later de Anti-Revolutionaire Partij ontstaan.

Financiële gelijkstelling en onderwijspacificatie (1889-1917)
Na een langdurige politieke en maatschappelijke strijd werd uiteindelijk in 1917, met instemming van alle grote politieke stromingen in Nederland, de financiële gelijkstelling bereikt. In artikel 23 van de Grondwet is deze gelijkstelling vastgelegd. De financiële gelijkstelling betekent dat bijzondere scholen in gelijke mate aanspraak maken op overheidssubsidie als openbare scholen.

Artikel 23 van de Nederlandse grondwet

Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering.
Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de overheid en, voor wat bij de wet aangewezen vormen van onderwijs betreft, het onderzoek naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van hen die onderwijs geven, een en ander bij de wet te regelen.
Het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging, bij de wet geregeld.
In elke gemeente wordt van overheidswege voldoende openbaar algemeen vormend lager onderwijs gegeven in een genoegzaam aantal scholen. Volgens bij de wet te stellen regels kan afwijking van deze bepaling worden toegelaten, mits tot het ontvangen van zodanig onderwijs gelegenheid wordt gegeven.
De eisen van deugdelijkheid, aan het geheel of ten dele uit de openbare kas te bekostigen onderwijs te stellen, worden bij de wet geregeld, met inachtneming, voor zover het bijzonder onderwijs betreft, van de vrijheid van richting.
Deze eisen worden voor het algemeen vormend lager onderwijs zodanig geregeld, dat de deugdelijkheid van het geheel uit de openbare kas bekostigd bijzonder onderwijs en van het openbaar onderwijs even afdoende wordt gewaarborgd. Bij die regeling wordt met name de vrijheid van het bijzonder onderwijs betreffende de keuze der leermiddelen en de aanstelling der onderwijzers geëerbiedigd.
Het bijzonder algemeen vormend lager onderwijs, dat aan de bij de wet te stellen voorwaarden voldoet, wordt naar dezelfde maatstaf als het openbaar onderwijs uit de openbare kas bekostigd. De wet stelt de voorwaarden vast, waarop voor het bijzonder algemeen vormend middelbaar en voorbereidend hoger onderwijs bijdragen uit de openbaar kas worden verleend.
De regering doet jaarlijks van de staat van het onderwijs verslag aan de Staten-Generaal.
De vrijheid van onderwijs, dat een internationaal erkend grondrecht is, staat in artikel 23 lid 2. De financiële gelijkstelling van openbare en bijzondere scholen, dat een typische Nederlands verschijnsel is, staat in de artikel 23 lid 6 en lid 7. De inhoud van artikel 23 staat op het punt van de financiële gelijkstelling sterk ter discussie.


Discussie
In 2003 is een politieke discussie ontstaan, mede door de oprichting van islamitische scholen, of deze financiële gelijkstelling wel gehandhaafd moet blijven. Hierbij gaat het voornamelijk over de vraag of het bestaan van het bijzonder onderwijs in het algemeen en islamitische scholen in het bijzonder wel of niet afbreuk doet aan de integratie van allochtonen in de Nederlandse samenleving.











Wim de Bie kinderliedje 1944





Scene uit Les Choristes

Regie: Christophe Barratier
Cast: Gérard Jugnot (Clement Mathieu), François Berléand (Rachin), Jean-Baptiste Maunier (Pierre Morhange als kind), Jacques Perrin (Pierre Morhange als volwassene), Kad Merad (Chabert), Marie Bunel (Violette Morhange), Jean-Paul Bonnaire Maxence), e.a.



Pierre Morange de stille met het engelengezicht blijkt een gave te hebben zijn bijzondere zangstem. Deze gave wordt ontdekt door de nieuwe muziekleraar Clement Mathieu van de kostschool op de bodem van de vijver, waar beiden verblijven. Tussen leraar en leerling ontwikkelt zich een strijd om erkenning. In deze strijd speelt de moeder van Morange een belangrijke rol. Pierre wil haar voor zichzelf en de leraar is een beetje verliefd op haar maar door zijn terughouding weet hij een ramp te voorkomen omdat de moeder een ander iemand gevonden heeft. Op het moment dat de gravin langs komt om het nieuwe koor te beluisteren is de verhouding tussen Morange en Mathieu zo verslechterd dat Morange als geval apart (un cas apart) aan de kant staat. De andere jongens van het koor in mooie witte blousen beginnen met het lied La Nuit waarin Morange eigenlijk een solo had. En dan, ja dan laat deze muziekleraar zijn talent als opvoeder zien. Op het moment dat de solo in het lied begint nodigt Clement Mathieu, Pierre Morange uit om te gaan zingen, met een handgebaar. De jongen komt in de plooi en zingt de sterren van de hemel en bedankt zijn leraar met een glimlach van dank en erkenning.
Hier zien we een wonder verfilmd. Dit is een geweldige kunst. De essentie van opvoeding zien we hier in een kort lied samengevat.
Na de films Pirates of the Caribbean, the lord of the Rings en Harry Potter 1-5 waarin de special effects meesterlijk geïntegreerd zijn in prachtige verhalen, is deze film zonder special effects een meesterwerk van eenvoud en essentie.

De muziek is ook van een zeer hoog niveau qua compositie en uitvoering.

Verslag van twee jaar strijd met school en instanties: De school anno 2009.


Voor de dagvaarding klik hier