Kwaliteit van de sociale advocatuur

De afgelopen dagen hebben pro-deo advocaten via meerdere kanalen stevig ongenoegen geuit over de vergoedingen voor hun diensten. Echter, de kwaliteit van rechtsbijstand bleef buiten beschouwing en dat terwijl in de vorige eeuw bevochten sociale zekerheid sluipenderwijs systematisch wordt afgebroken. Te denken valt daarbij aan het springlevende voornemen het nog van toepassing zijnde ontslagrecht voor werkgevers te versoepelen, de hoogte en duur van de werkloosheidsuitkering alweer naar beneden bij te stellen, de regeling om de pensioenvoorzieningen voor werkloze werknemers vanaf veertig jaar voort te zetten voor nieuwe werklozen met ingang van 1 januari 2008 stop te zetten.

"Ongeveer de helft van de Nederlanders kan een beroep doen op gefinancierde rechtsbijstand, vaak na betaling van een eigenbijdrage. Jaarlijks gebeurt dat bij bijna vierhonderd duizend zaken." aldus bestuurslid Bert Brands van de Vereniging Sociale Advocatuur Nederland. Die daarmee aangeeft dat de hoogte van het inkomen van bijna de helft van de bevolking, waaronder honderdduizenden echte armoedzaaiers,  bij noodzakelijke rechtshulp onvoldoende is voor het inschakelen van een vrij gevestigde advocaat en reden is een beroep te doen op een pro-deo advocaat of in een zorgeloze periode een rechtsbijstandsverzekering af te sluiten.

De eigen bijdrage van de cliënt, bij het starten van een zaak, die de Raad voor Rechtsbijstand over het fiscaal inkomen vaststelt is hoog. Zo dient een gehuwde/samenwonende/eenouder met een inkomen van € 26.201 een bijdrage van € 677 te betalen en een alleenstaande hetzelfde bedrag bij € 18.501 aan fiscaal inkomen.
Voor zowel een meerpersoonshuishouden als een alleenstaande zijn deze kosten hoog omdat over het algemeen de vaste maandelijkse lasten voor huur/hypotheek, energie, water, voeding, ziektekosten-, aanvullende- en tandverzekeringen, gemeentebelastingen et cetera al gauw meer dan € 800 bedragen.
Voor de honderdduizenden echte armoedzaaiers zijn de vastgestelde eigen bijdragen bovenop de vaste maandelijkse lasten sowieso niet op te brengen.

Het vermoeden dat zeer veel Nederlanders uiteindelijk afzien van het aangaan van een juridisch gevecht stemt niet vrolijk. Als daarbij sociale zekerheid in het geding is wacht uiteindelijk een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid uitgeklede sociale voorzieningen voor komende generaties en een nog grotere verpaupering en verloedering dan nu in onze directe nabijheid al waarneembaar zijn.

Twee jaar terug zocht een vrouw van zestig een advocaat, die haar kon helpen bij mogelijke pensioenrechten.
Ze was tientallen jaren daarvoor door haar toenmalige man van al haar persoonlijke bezittingen en de meeste documenten beroofd, was bij rechterlijk vonnis blij van zijn onderdrukking af te zijn, kreeg een klein bedrag toegewezen en koos ervoor te leven zoals zij dat wilde.
Via internet vond ze een jurist die gespecialiseerd was in pensioenzaken. De man liet al snel weten per uur € 400 te kosten. En omdat hij veronderstelde dat de vrouw dit niet zou kunnen opbrengen verwees hij haar naar een jong en talentvol advocaat. Deze zou haar pro-deo van dienst kunnen zijn.
Kort nadien kon de vrouw haar kwestie aan de jonge advocaat voorleggen. Hij luisterde aandachtig en vroeg zich af of ze de echtscheidingszaak niet opnieuw aanhangig wilde maken. De vrouw wees dit voorstel af en vroeg of hij haar wilde en kon helpen met aanspraken op pensioen ten tijde van het een en twintig jarige voorbije huwelijk. Nou, dat kon hij zeker en hij beloofde met de zaak direct aan de slag te gaan. Haar lage inkomen was voor hem geen beletsel. 
Al snel bleek dat de Raad voor Rechtsbijstand € 677 aan eigen bijdrage wenste. Met de advocaat regelde de vrouw een soepele betalingsregeling.
De vrouw vernam vrij snel dat ze pensioenrechten had. Daarvan kreeg ze zwart op wit bericht.
De zaak was hiermee voor de vrouw niet afgedaan immers ze vernam dat haar ex met zijn zestigste met pensioen was gegaan en ze wilde weten of dit gevolgen zou hebben voor haar pensioenaanspraken. De advocaat liet daar geen twijfel over bestaan en zou dat varkentje wel eens eventjes gaan wassen.  Hij stelde dat wanneer de andere partij niet mee zou werken de zaak aan de rechter voor te zullen leggen.
Na een paar maanden stilte nam de vrouw contact op met de advocaat. Ze wilde weten hoe het er voor stond. De jurist reageerde heel vriendelijk, maakte verontschuldigingen voor het feit dat een assistent collega niet had uitgevoerd wat in deze kwestie had moeten gebeuren en overtuigde de vrouw vertrouwen in hem te houden. Hij zou doorgaan tot het gaatje.
Maanden zonder bericht van haar advocaat kwelden de vrouw. Opnieuw belde ze hem en vroeg naar de stand van zaken in haar kwestie. De jurist vertelde dat hij zijn assistent collega had moeten ontslaan, dat zijn vrouw enkele dagen geleden een zoon op de wereld had gezet en dat zijn werk daar een beetje onder geleden had. Echter zorgen maken hoefde de vrouw zich niet. Hij zou haar zaak morgen persoonlijk  ter hand nemen en desnoods tot voor de rechter uitvechten. Een week later ligt een brief met bijlage van de advocaat in de brievenbus. Haar ex wordt vriendelijk gevraagd opgaaf van inkomen van nu kenbaar te maken.
Maanden gaan voorbij en de vrouw neemt nog maar eens contact op met haar advocaat. Die laat doorschemeren verdere stappen in de zaak niet wenselijk te achten. Het is een kort onderhoud. De vrouw is overdonderd, vraagt zich af wat ze hiermee aanmoet. Ze besluit haar advocaat een brief te schrijven en hem te vragen welke zijn overwegingen zijn om de kwestie te laten rusten. Immers gegevens van het inkomen van haar ex zijn nog steeds niet bekend. Verder brengt ze onder zijn aandacht dat hij keer op keer verwachtingen bij haar heeft opgeroepen welke haaks staan op zijn voorstel verdere stappen niet wenselijk te achten.
De advocaat van de vrouw geeft op zijn manier antwoord door nogmaals de andere partij om bankafschriften, loonstroken, waaruit zijn gangbare inkomen blijkt te overleggen. Die antwoord "U moet toch weten dat u mij niet kunt vragen bewijzen te overleggen om te kunnen controleren of ik wel of geen pensioen ontvang. Als u niet kunt of wil afgaan op mijn woord, dan verdriet mij dat zeer, maar ik hoop wel dat na dit schrijven onze briefwisseling ten einde is."
Een kleine drie maanden verder, van de advocaat hoort de vrouw niets, schrijft ze hem wederom een brief. Ze eist van de advocaat haar ex te dwingen bewijzen van zijn gangbare inkomen te overleggen. Voorts stelt ze geen genoegen te nemen met het antwoord van haar ex.

Wordt vervolgd.

Over kwaliteit van een 'pro-deo' advocaat gesproken!

Amsterdam, 10 januari 2008
Herman Bergensteen 



 
Kwaliteit van de sociale advocatuur (2)

Vervolg en laatste deel

Mevrouw hoort maanden niets van haar advocaat. Kort voor de paasdagen 2008 neemt ze telefonisch contact met hem op. Ze herinnert hem aan zijn toezegging bij haar ex informatie over diens huidige inkomen met een dagvaarding te zullen afdwingen. De vrouw hoort het praatje van haar advocaat met wrevel aan. Ze heeft er geen vertrouwen meer in dat haar advocaat de zaak tot een voor haar bevredigend einde zal brengen.

In mei stuurt de vrouw haar advocaat het bericht dat ze het dossier sluit en verzoekt om een schriftelijke bevestiging.

Tien dagen later ontvangt de vrouw als antwoord: "Ik lees uw brief en realiseer mij dat ik u geen kopie van de dagvaarding heb gezonden. In juni 2008 is de zitting. We zetten nu toch wel door? Ik hoor."

Een dag daarna bericht de advocaat: "………doe ik u bijgaand toekomen een kopie van de kort geding dagvaarding zoals ik deze ….."

De vrouw laat de jurist weten alsnog door te zetten.

De zaak belandt in een stroomversnelling. De advocaten van zowel de vrouw als haar ex hebben regelmatig contact en doen hun cliënten hierover schriftelijk verslag met bijlagen.

Het is de vrouw uit de overlegde documenten van de andere partij duidelijk dat haar ex niet met informatie over zijn huidige inkomen over de brug zal komen. De advocaat van de ex heeft als insteek bij het kort geding het tijdstip waarop de ex van het pensioenfonds aanvullend ouderdomspensioen zal ontvangen. De advocaat van de ex stelt vervolgens dat het komende kort geding volstrekt overbodig is.

Twee dagen voor het kort geding belt de advocaat de vrouw en deelt mee dat naar verwachting de andere partij in het gelijk gesteld zal worden. Voorts laat hij weten dat in geval haar ex wint de kosten van het geding bij haar in rekening gebracht zullen worden.

De vrouw neemt nog eens alle stukken door en trekt daaruit de conclusie dat ze bij leven en welzijn in elk geval zwart op wit heeft wat op korte termijn jaarlijks aan aanvullend pensioen binnenkomt.
Dwars zit de vrouw het feit dat kosten van het kort geding sowieso door de ex bij haar in rekening gebracht zullen worden en dat die lasten kennelijk niet tot de juridische bijstand behoren. Ze heeft niet meer de kracht zich hierover te laten informeren.

De vrouw besluit nogmaals een punt achter de zaak te zetten en laat dit de volgende dag aan haar advocaat weten.


Amsterdam, 21 december 2008
Herman Bergensteen