Voorpublicatie uit

Over boeken

door Frans Duijf

Schrijven over boeken?

Van Jeroen Brouwers heb ik alles gelezen, op enkele bibliofiele uitgaven en een enkel "feuilleton" van hem na die ik niet heb. Ik bezit één bibliofiele uitgave van hem: Warme herfst, met een ets van Tom Liekens. Werkelijk prachtig. Het is verschenen in 2005. Door toeval kon ik me daar in Antwerpen voor inschrijven. Een koopje was het, maar bij mij niet te koop. Zelfs het debuut, Het mes op de keel, dat Brouwers zo verfoeit, heb ik gelezen. Ik bezit het zelfs. Het kostte me destijds een lieve duit. Brouwers heeft gelijk, het is geen al te best boek. Ik vind het geen reden het te verguizen, op de manier waarop Brouwers dat heeft gedaan en doet. Hij had maar beter op moeten letten, tijdig wat van Nietzsche moeten leren. Enfin, Brouwers beschouw ik als één der groten van onze hedendaagse letteren. Natuurlijk Bezonken rood, scoort ook bij mij hoog. Kapot was ik van zijn De laatste deur, waarin hij zelfmoordenaars in de Nederlandse letteren een plaats geeft. De ondertitel is dan ook Essays over zelfmoord in de Nederlandstalige letteren, opgedragen aan Anne W., waaraan Brouwers als motto een bekende dichtregel meegaf: 'Du coors die dood, du liets mij 't leven'. Niet toevallig. Anne W. staat voor Anne Walravens (dochter van literator Jan Walravens), één van de ex‐geliefden van Brouwers, die op 23 jarige leeftijd haar leven beëindigde. Zij is de hoofdpersoon in het boek Zonsopgangen boven zee, waarmee de ik-figuur twee uur lang, 258 pagina's in een lift vastzit en zijn leven de revue laat passeren. Zojuist vermelde, bekende regel, blijkt ook nog wel eens te blijven hangen. Zo is het mij opgevallen dat Geert Mak in De eeuw van mijn vader het citaat als volgt weergeeft: 'Du cors die doot, du liets mi 't leven'. Ik ga ervan uit dat het in ieder geval niet Brouwers is die niet correct citeert. Waarschijnlijk doet ook Mak het niet fout. Het moge duidelijk zijn dat er nu eenmaal verschillende versies van bestaan. Zo staat in mijn Liederen uit het Gruuthuse‐manuscript, zonder datumvermelding uitgegeven te Leuven, de volgende versie: 'Du koors die dood, du liets mij 't leven'. Frits van Oostrom noemt in Stemmen op schrift, het eerste deel van de Geschiedenis van de Nederlandse literatuur, het Egidiuslied wel als hij het Groothuse‐handschrift aanstipt, maar geeft niet de tekst van het gedicht, noch bedoelde regel.
Nog even terug naar Brouwers. Prachtig is de combinatie van zijn debuutroman Joris Ockeloen en het wachten - Een lotgeval (uit 1967) en een half leven later zijn laatste roman Datumloze dagen (uit 2007), dat is genomineerd voor de Libris literatuurprijs 2008 en voor de Gouden Uil 2008. Ditmaal valt Brouwers buiten de prijzen. In eerstgenoemd boek stond de jonge vader in het ziekenhuis, bij de geboorte van zijn zoon, te balen. In het laatste boek treedt een oude man (een wetenschapper) op die terugkijkt op zijn leven en zijn zoon, die hij nooit heeft gewild, en die dan ook - toen zijn vrouw hem in het geniep misbruikte - het einde van zijn huwelijk betekende. Hij schaamt zich, wat Brouwers geloofwaardig, meesterlijk weet weer te geven. Een klein puntje van kritiek dat ik heb op laatstgenoemd kleinood van Brouwers. Brouwers alter ego kent zo zijn zoon niet, dat hij hem niet herkent als hij een uur lang in Wenen bij hem aan tafel zit te eten en onderwijl zit te vozen met een vrouwelijke collega‐wetenschapper, weet vaag dat hij hem ergens van kent. Brouwers legt dan fraai de verbinding met De tuinman en de dood: 'Ik kende niemand in Wenen, al zal die tuinman uit het bekende gedicht iets soortgelijks hebben gedacht toen hij in Ispahan oog in oog stond met de dood'. Was het niet fraaier geweest als Brouwers de woorden 'uit het bekende gedicht' zou hebben vermeden, een beetje meer vertrouwen in belezenheid van de lezer zou hebben gehad? En dan de spelling. Had het - omdat Brouwers verwijst naar het bekende gedicht - niet voor de hand gelegen te spellen als Van Eyck deed? Brouwers spelt 'Ispahan', zoals Jean Cocteau deed in Le grand Ecart, dit in tegenstelling tot Van Eyck, die 'Ispahaan' dicht. Pleegde Van Eyck overigens plagiaat, gelet op het gegeven dat de verhaallijn en het plot al in 1923 - voor het ontstaan van het gedicht van
Van Eyck - door Jean Cocteau is beschreven? Ik meen van niet, ben het eens met de opvatting dat ook Cocteau een oude Perzische legende als basis gebruikte iets fraais en unieks creëerde, net als Van Eyck. Tot slot vermeld ik als bijzonder Brouwers Tiradenummers De papieren lullepijp, een essay waarin Brouwers de vloer aanveegt met de lulligheid die de literaire wereld van de jaren 70 beheerst, de vloer aanveegt met het Cultureel Supplement van de NRC, en De Nieuwe Revisor, waarin hij de vloer aanveegt met de nieuwlichterij van De Revisor. Er wordt te gemakkelijk rommel geproduceerd, die ook nog wordt uitgevent via de media met als resultaat dat de leeslijsten van middelbare scholieren vol staan met 'verhaaltjestinnef', waarbij ook nog komt dat de literatuurkritiek te lief is, te genuanceerd, zodat uitgevers ook nog op een gemakkelijke manier leuke quotes op hun boeken kunnen plakken. Jammer dat Brouwers de laatste jaren wat rustiger is geworden. Overigens heeft Brouwers grote voorgangers wat zijn kritiek betreft. Zo bijvoorbeeld Arthur Schopenhauer, getuige wat ik destijds las in diens In de tuin der letteren ‐ Over de kunst van het schrijven. Hij onderscheidt in Over schrijven en stijl schrijvers in soorten, zij die schrijven zonder na te denken, zij die nadenken terwijl ze schrijven en de zeldzame soort, zij die nagedacht hebben voordat ze zich aan het schrijven zetten. De laatste soort is natuurlijk de soort die geschikt is. Zelfs daarvan zijn er maar weinig die over de dingen zelf nadenken: de anderen denken alleen na over boeken, over wat anderen hebben gezegd. Alleen de eerste van laatstgenoemde categorie kunnen schrijvers zijn die ertoe doen. Zo moet het onderwerp van hun gedachten bijvoorbeeld niet zijn hoe brandewijn moet worden gestookt. Het moet om verheven dingen gaan! Ik las ditzelfde ook al meer dan twintig jaar geleden in Er is geen vrouw die deugt, een uitgave in de reeks privé‐domein. Ik mocht die Schopenhauer al wel. Toen ik in In de tuin der letteren ‐ Over de kunst van het schrijven zijn essay Over lezen van boeken tot mij nam, mocht ik hem zo mogelijk nog meer. Hij onderstreept als het ware waarover ik hier boven schreef. De lezer consumeert, hij zegt: 'Als we lezen, denkt een ander voor ons, we herhalen slechts zijn mentale proces'. Je denkarbeid is je grotendeels door de schrijver ontnomen. De veellezer, die zich tussendoor ontspant met gedachteloos tijdverdrijf, loopt het gevaar het vermogen tot denken te  verliezen. Zo daar mag over worden nagedacht. Intussen blijf ik met heel veel plezier diverse auteurs lezen, ook al zegt Schopenhauer, net als Seneca (hij beveelt aan je te beperken tot een paar boeken die ertoe doen om jezelf tijd te geven na te denken over wat je hebt gelezen), dat je daarmee moet oppassen. Genoeg over Schopenhauer. Graag voeg ik wat toe over een andere grootheid: Willem Frederik Hermans. Hij schreef in Het sadistisch universum 1 dat in dat boek prozastukken - als je goed kijkt - er 'hier en daar een esseej tussenzit'. Wat een esseej is? 'Een opstel waarin andermans boeken worden naverteld zonder namen te noemen, Engelse en Franse schrijvers in het oorspronkelijk worden geciteerd omdat het dan veel mooier klinkt en conclusies worden getrokken die de lezer zelf ook wel had kunnen trekken, als hij daarin plezier in had gehad'. Hermans heeft daar maatregelen tegen genomen. Eén van die maatregelen is: 'ik heb conclusies getrokken waar de lezer geen plezier in heeft'. Toen sommige 'openbare lezers, anders genaamd critici' meldden dat zij wel plezier in de conclusies van Hermans hadden gehad, luidde de repliek van Hermans: 'Zeker is het de bedoeling dat ik een volgende keer beter uitkijk wie ik een plezier doe met mijn conclusies'.


Frans Duijf, 10 januari 2009


Home