Dr. FRITZ KÜNKEL

KARAKTERVORMING

DOOR
ZELFOPVOEDING


DE NIEUWE GENEESKUNDE DER ZIEL IN
HAAR TOEPASSING OP DE OPVOEDING,
ZELFOPVOEDING EN ZIELZORG


















VIJFDE DRUK
Ongeveer l929
WERELD-BIBLIOTHEEK AMSTERDAM-ANTWERPEN



EERSTE DEEL: GRONDBEGRIPPEN

I. 
VERANTWOORDELIJKHEID


§ 1 - Subject en Object

   Ieder mens is tegelijk subject en object, hij is op zichzelf een levend wezen en tevens een voorwerp voor zichzelf en voor anderen. Is hij subject of levend wezen, dan moet hij handelen; is hij object of voorwerp, dan wordt hij behandeld. De handelingen, die hij als subject volbrengt, hebben in de buitenwereld gevolgen, die weer op hem terugslaan en hem als object treffen.
   Een mens slaat zijn vijand dood, hij handelt als subject; hij wordt door de verwanten van de dode op zijn beurt verslagen, hij lijdt als object.
   Een kind grijpt een mes, het handelt als subject; het snijdt zich in de vinger, het draagt de gevolgen als object.
   Iemand eet bonbons, hij handelt als subject; hij bederft zijn maag en wordt ziek, hij lijdt als object.
   Uit het laatste voorbeeld volgt, dat de mens zijn eigen lichaam als object kan behandelen. Hij staat dan tegenover zijn lichaam als tegenover elk ander voorwerp. En hij ondergaat de invloed van zijn lichaam, dat hem doet lijden, hem tot object maakt, als ieder ander deel van de buitenwereld.

De mens als subject is dus niet het lichaam. Hij 'zit' ook niet in het lichaam. Hij is zelfs nergens in de ruimte, want in de ruimte kunnen slechts lichamen, voorwerpen zijn. En toch is hij aanwezig. Want hij denkt en handelt.

Maar het subject ondergaat de invloeden van buiten wel steeds langs de weg van het lichaam. Het lichaam vormt dus de verbinding van de mens met de wereld en wel in dubbele richting: langs de weg van het lichaam uit hij zich als subject, als hij zijn ledematen beweegt en langs de weg van het lichaam wordt hij object van de buitenwereld, wanneer hij door zijn lichaam lijdt.
   Want ook zielelijden, dat schijnbaar in het geheel niet met lichamelijke verschijnselen gepaard gaat, kan toch slechts langs de weg van lichamelijke waarnemingen, (zien, horen, enz.) ontstaan.
   Niet alleen de daden die wij bewust, en met bedoeling verrichten, komen voort uit ons subject zijn, uit ons eigenlijke wezen, maar ook de daden, die wij zonder opzet doen, zoals het verliezen of breken van een of ander voorwerp, maar zelfs het onbewuste gebeuren, zoals stofwisseling en groei vinden hierin hun oorsprong. Zij hebben hun oorsprong in de kern van het wezen van de mens (die niet slechts lichamelijk is) ook al kan men nog zoveel uiterlijk verband en oorzakelijkheid aanwijzen. Zij vloeien voort uit die onuitputtelijke bron, die wij het leven noemen.

   Het is van belang dit vast te stellen: voor alles wat van het subject uitgaat, voor alles wat uit het levende wezen voortkomt, draagt de mens de volle verantwoordelijkheid.

   Het is een onverbrekelijke levenswet, dat ieder mens niet slechts aan alle mogelijke inwerkingen van de buitenwereld als object is prijsgegeven, maar dat hij vooral ook het object wordt van de terugslag van handelingen, die uit zijn eigen wezen voortkomen.

   Het doet er niet toe of hij bereid is deze gevolgen te aanvaarden of niet. Ja, het doet er zelfs niet toe of hij zich van deze verantwoordelijkheid bewust is of niet.

   Voor het dragen van de gevolgen, maakt het geen verschil of zijn handelingen bewust of onbewust waren. Ook het kind, dat zijn eigen gedrag begrijpen noch beoordelen kan, ontkomt niet aan de gevolgen van zijn daden (hij moet levenslang met één oog rondlopen, wanneer hij zich bij een ruw spel een oog uitsteekt).

   Daardoor wordt de verantwoordelijkheid van de opvoeder buitengewoon groot.
   Het is nu wel duidelijk, dat het niet gemakkelijk is zich alleen als subject te gedragen, omdat men niet uitsluitend subject kan zijn.
   Het feit, dat men telkens weer als object de gevolgen van zijn eigen subject-zijn op zich moet nemen, bederft voor de mens het subject-zijn totaal. Daarom trachten wij allen (zonder het eigenlijk te bemerken) ons subject-zijn zoveel mogelijk te beperken.

   Het kenmerk van het subject is de vrijheid, (het vrij zijn van de oorzaken, het zich boven de oorzaken kunnen verheffen), het scheppend vermogen.

 En het kenmerk van het object is de onvrijheid (het bepaald zijn door de oorzaken).

   Niemand hoeft boos te worden, ieder zou ook wel kalm kunnen blijven. Een driftig mens die de verantwoordelijkheid voor zijn kwaadheid van zich wil afschuiven, beweert, dat hij op deze of gene aanval noodgedwongen wel met toorn moest antwoorden. Hij geeft liever zijn vrije wil prijs en maakt aldus zichzelf tot voorwerp van een dode natuurwet, dan dat hij de verantwoordelijkheid voor zijn handelwijze ten volle op zich neemt. Hij maakt zich tot object, onderworpen aan de samenhang van oorzaak en gevolg. Of juister gezegd: hij maakt zichzelf en anderen wijs, dat hij object zonder meer is, omdat hij dat gemakkelijker vindt.
Maar het helpt niet, hij blijft subject, zolang als hij leeft. Hij kan zich niet onttrekken aan de gevolgen van zijn gedrag. Ja, hij moet bovendien de gevolgen van zijn zelfbedrog op zich nemen. Want zonder zelfbedrog zou hij spoedig van zijn drift genezen zijn. Zolang hij echter zijn verantwoordelijkheid niet aanvaardt, blijft die zogenaamde 'natuurwet', die hem de toorn als onvermijdelijk gevolg van bepaalde uitwendige oorzaken doet zien, onverminderd voortduren.

   Wij zijn ook verantwoordelijk voor de vlucht, waarmede wij de verantwoordelijkheid willen ontlopen.
   Er zijn talloze middelen, waardoor men proberen kan zich aan de verantwoordelijkheid te onttrekken.
   Nu eens beschouwen wij de erfelijkheid, dan weer de invloed van de omgeving, als volstrekt beslissend voor de karaktervorming. Het is nog eenvoudiger op grond van wijsgerige beschouwingen de wilskracht kortweg te ontkennen en de mens op een lijn te stellen met een toevallige opeenhoping van dode stof.
De achtergrond van deze theorieën is altijd dezelfde: het is de vlucht voor de verantwoordelijkheid, de vlucht voor het tegelijk subject en object zijn, de vlucht voor het leven (mens-zijn).

   Het eerste voorschrift voor de vorming van het menselijk karakter luidt daarom:

Begrijp, dat je tegelijk subject en object bent. Dat je vrij en verantwoordelijk bent. Dat je je niet onttrekken kunt aan de gevolgen van je gedrag en dat je ook de gevolgen van de vlucht voor de gevolgen zult moeten dragen.

§ 2 -Ja en Neen


   Wie het leven (mens-zijn) aanvaardt, moet het feit laten gelden dat hij het subject van zijn eigen gedrag én het object van alle gevolgen van dit gedrag moet wezen. Maar meer dan dat: hij is ook medesubject van het gedrag van grotere gemeenschapssubjecten zoals familie, klasse(sociale groep) en staat. En medeobject van de gevolgen die deze gemeenschapsobjecten treffen zoals epidemieën, economische crisis, oorlog en dergelijke. Tenslotte maakt hij als subject deel uit van het subject mensheid en heeft, als zodanig, ook deel aan de strijd met de aarde, waaraan men voedsel en kleding moet ontworstelen. En eveneens heeft hij deel aan de taak van het heelal, waarmee de mensheid door de raadselen van geboorte en dood onlosmakelijk verbonden is.
   Deze veelvoudige samengesteldheid van het leven, die in al haar verschillende lagen altijd weer tegelijk subject en object zijn betekent, brengt zo'n volheid van onophoudelijk leren en groeien en gevolgen dragen, en daarin van verantwoordelijkheid, mede dat er nauwelijks een mens is die niet, op het een of andere punt van de weg, zijn moed en zijn vertrouwen verliest.
   Zolang hij moed en vertrouwen heeft, aanvaardt hij de weg met al wat hij eist en brengen kan, hij aanvaardt alle vreugden van het subject-zijn, ofschoon hij weet, dat de smart van het object-zijn daarmede onverbiddelijk verbonden is. Wie ja zegt tegen zijn verantwoordelijkheid, wordt meegenomen door het leven, dat hem voortstuwt van de ene ontwikkeling naar de volgende, terwijl het einddoel voor ieder verborgen blijft.
   Wie echter niet genoeg moed en vertrouwen heeft om zich aan het leven over te geven en zodanig de verantwoordelijkheid afwijst voor een ontwikkeling die hij niet heeft gewild en niet kent, die moet trachten zich als het ware uít de stroom en óp een veilige oever te redden. Hij moet afstand doen van die ontwikkeling. Hij moet de waarde van de voortdurende wisselwerking van al wat het leven (menszijn) brengt ontkennen en die wisselwerking zelf moet hem zinloos voorkomen. Dat is de houding van degene die 'neen' zegt.
   Daar de houding van hem, die zijn verantwoordelijkheid aanvaardt zich kenmerkt door tegelijk subject en object zijn, kan de ontkenning daarvan, de houding van hem die neen zegt, op twee verschillende manieren tot uiting komen.
Hij kan trachten slechts subject te zijn - vrij, zonder oorzaak, zonder smart tegenover de wereld te staan en zich zo aan de verplichting om de gevolgen te dragen (het object-zijn) onttrekken. Maar hij kan ook trachten uitsluitend object te zijn, onvrij, zonder verantwoordelijkheid, slechts een voorwerp, om op die wijze aan de onaangenaamheden van die levende wisselwerking van het subject- en objectzijn te ontkomen.
   In het eerste geval neemt hij de houding aan van de zelfgenoegzame levensvirtuoos, die boven ieder en alles uitsteekt en ongenaakbaar is, soms brutaal actief, soms passief als toeschouwer, in elk geval vrij van de invloeden van buiten.
In het tweede geval verbergt hij zich achter het masker van een schijnbaar bovenmatig aanvaarden van het leven.
   In de plaats van de man die 'ja' zegt tot het leven komt de 'jabroer' die zich, zonder tegenspreken, naar ieders luimen voegt en zich onderwerpt aan de machtsbegeerte van de eerste de beste. De man die 'neen' zegt tot het leven aanvaardt dat willig als hij maar geen verantwoordelijkheid hoeft te dragen. Wat hier theoretisch gezien wordt als uitsluitend subject willen zijn, kent men in de begeerte van het heersen of, met een technische term 'als een worsteling om de overmacht, als de drang zich te doen gelden'. En wat wij getekend hebben met de woorden 'ook object moeten zijn' wordt in de praktijk gevoeld als onderworpenheid, de mindere zijn, 'minderwaardigheidsgevoel'.

   Om dit laatste het 'ook object moeten zijn' te ontgaan, gaat men listig over tot het 'alleen maar object willen zijn'.


   Wie als kind geleerd heeft steeds zijn eigen zin te doen en op die wijze het dragen van de gevolgen van zijn handelingen te ontwijken, kent als volwassene geen ander doel dan een despoot, een Napoleon, te zijn. Hij went er aan zich als een tiran te gedragen. Hij vraagt niet naar het geluk van de anderen maar is bereid alles te offeren om zichzelf en anderen te bewijzen, dat zijn macht volkomen is. Vaak is hij een waaghals, maar daarin uit zich toch geen moed. Integendeel, hieruit spreekt eerder angst. En wel angst voor de wisselwerking van het subject-zijn en het object-zijn. Hij is op de vlucht voor zijn verantwoordelijkheid.
   De angst voor het dragen van de gevolgen, de angst voor het object-zijn, drijft hem tot de moed der wanhoop en tot overdrijving van het subject-zijn. Uit angst voor de machteloosheid matigt hij zich almacht aan. Totdat de gevolgen van zijn vlucht hem verpletteren.

   Innerlijk bijna gelijk, maar uiterlijk juist tegenovergesteld, is de houding van hem, wie als kind de lust tot iedere handeling benomen werd. Hij heeft geleerd, dat voor hem de enig mogelijke houding die van de toeschouwer is. Daarom zal hij later als kunstenaar of wijsgeer de mensheid en het heelal in beeld brengen, beoordelen, berispen of prijzen. Hij zal geluk en ongeluk vooruit berekenen, zal waarschuwen, bekering prediken en hervormingen eisen. Maar nooit zal hij ingrijpen. Nooit medewerken. Nooit een taak of verantwoordelijkheid aanvaarden. Hij zal zich niet blootstellen aan de reactie van het leven. Want juist de angst voor deze reactie dwingt hem immers om zich uit de stroom van de alledaagse werkelijkheid terug te trekken. Hij zit aan de oever en speelt, dat hij de god van de stroom is, want als hij in de stroom zou meezwemmen, zou hij maar al te duidelijk merken dat hij de stroom niet beheerst, maar de stroom hem. Daar de stroom des levens zich niet door critici, die met de handen in de schoot zitten, laat verbeteren, zijn de mensen vanzelf veroordeeld tot een lijdensweg vol teleurstelling, verbittering en armzaligheid. En zij, die zich aan de verantwoordelijkheid willen onttrekken, moeten het ten slotte beleven, dat de volle verantwoordelijkheid voor hun vlucht uit het leven toch op hen neerkomt.

   Beiden, de Napoleon en de criticus gaan te gronde aan hun overdrijving van het subject-willen-zijn en aan hun vlucht voor het object-moeten-zijn, kortom aan hun zelfvergoding.

   Wie echter de tegenovergestelde weg gaat, wie voor het subject-zijn vlucht en het object-zijn overdrijft, de zogenaamde 'jabroer', die treft hetzelfde lot.

   Wie als kind geleerd heeft dat men 'geen eigen wil mag hebben', overdrijft later de gehoorzaamheid zo, dat tenslotte kadavergehoorzaamheid, dus eigenlijk vrees voor verantwoordelijkheid ontstaat. Zo iemand zegt als het ware: "Als ik geen eigen wil mag hebben, wil ik ook geen verantwoordelijkheid dragen", en hij bemerkt niet, dat in dit niet-willen de grootst mogelijke eigenzinnigheid besloten ligt. Als hij bij mijnheer A is, spreekt hij zoals het A belieft; als hij mijnheer B ontmoet, ziet hij de dingen zoals B ze ziet. En als later A en B tegelijkertijd aanwezig zijn, weet
hij niet welk standpunt hij moet innemen. Moet hij uitvluchten bedenken en liegen óf de verantwoordelijkheid voor zijn vlucht voor de verantwoordelijkheid op zich nemen.

   Wie het roer van zijn leven niet zelf in handen durft te nemen, moet er op rekenen, dat de stroom, waarop hij zich laat gaan, hem tegen de rots slaat.

   Zulke pogingen moeten mislukken. Zolang de mens leeft moet hij niet uitsluitend object zijn, of hij moest niet meer als aards, lichamelijk wezen, aan het stoffelijk gebeuren deel hebben, geen aardebewoner meer zijn en 'transcendent' worden - 'hemeling'.
   Maar hij kan ook niet alleen maar object zijn, anders moest hij ophouden te leven, te voelen, te handelen, te groeien en zich ertoe bepalen om een hoop dode stof te wezen, met andere woorden: een lijk.
   Zowel het een als het ander is onmogelijk. Het kan slechts door misverstand, in schijn, voor een tijd en tot een bepaalde hoogte bereikt worden. In beide gevallen ontstaat uit deze dwaling smart op smart, die voortdurend groeit, totdat de dwaling overwonnen wordt.

   Daaruit volgt het tweede voorschrift:


Wie lijdt, moet zich afvragen, waarom en op welke manier hij aan de levende wisseling van het subject- en object-zijn zoekt te ontkomen.
Of hij te veel alleen maar object, of te veel alleen maar subject wil zijn. En hij moet de weg trachten te vinden, waarop hij terug kan keren tot de toestand, waarin beide samengaan: het zoeken van de weg tot eigen verantwoordelijkheid.


§ 3 -Behandeling en Eerbied

  De mens is, zoals wij zagen, tegelijk handelend persoon en lijdend voorwerp. Maar als wij hem beschouwen, waarnemen, beoordelen en tot voorwerp van onze studie maken, dan zien wij hem als karakter, als een levend wezen met bepaalde eigenschappen, die men beschrijven en verklaren kan. Daaruit kan men enigszins afleiden, welke moeilijkheden er voor de wetenschap in de uitdrukking 'karakter' liggen opgesloten. Want wij hebben blijkbaar te doen met een voorwerp van studie, dat tegelijkertijd object en toch ook weer niet object-zonder-meer is, en tevens ook subject. Daar men een subject, een levend wezen als zodanig, onmogelijk tot voorwerp van studie kan maken, (omdat het dan eerst gedood zou moeten worden) staat de karakterkunde voor de onoplosbare taak, een voorwerp te bestuderen, dat op het belangrijkste punt in het geheel geen voorwerp is.

   Wie meent een levend mens met formules en definities te kunnen beschrijven, zijn daden volgens vaste regels van te voren te kunnen berekenen en door bepaalde maatregelen langs een vaste baan te kunnen leiden, die moet zich vergissen.

   Wie een mens tot voorwerp maakt, al is het met de beste bedoelingen, die kan niet anders dan teleurstellingen verwachten.

   Ieder opvoeder, die zijn leerling of kind als 'object van opvoeding' beschouwt en iedere zielzorger, die zijn gemeentelid tot 'voorwerp van zijn ijver' maakt, alsook ieder liefhebbende, die meent een 'voorwerp van zijn liefde' te bezitten, haalt zich onverbiddelijk teleurstellingen op de hals. Terwijl hij zichzelf als subject beschouwt en de anderen als object-zonder-meer, tracht hij, bewust of onbewust,  zich te onttrekken aan de reactie van het subject, dat hij immers als object wil behandelen. Het leven laat zich hier echter evenmin als op ander terrein voor de gek houden: tegenslag is het noodzakelijke gevolg voor ieder, die zijn mede-subjecten niet eerbiedigt.

   Neem bijvoorbeeld een echtpaar, waarvan de man, zoals de meeste mannen, overtuigd is, dat hij niet alleen tot het sterke, maar ook tot het verstandige geslacht behoort, terwijl zijn vrouw, als alle
vrouwen, wel lief en deugdzaam is, maar onlogisch en inconsequent. Hij meent dus het recht te hebben de teugels in handen te houden en ervoor te zorgen, dat er geen onnodige uitgaven, geen slechte boeken, geen verkeerde opvattingen, geen 'praatjes' in zijn huis kunnen voorkomen. Bij alle liefde en eerbied, die hij natuurlijk voor zijn vrouw heeft, maakt hij haar toch tot voorwerp, n.l. tot voorwerp van zijn zorg en bestuur. Daardoor dwingt hij haar om zich óf willoos naar zijn inzicht te voegen, dat betekent haar eigen subject-zijn, en daarmee haar verantwoordelijkheid, prijs te geven, of openlijk of heimelijk tegen deze gewelddadigheid in opstand te komen en van haar kant op eigen verantwoording de teugels in handen te nemen en haar man te besturen. Het leven tot voorwerp van haar diplomatie te maken.
   Men zou nu kunnen opmerken, dat er een uitweg te vinden ware, wanneer de verantwoordelijkheid op natuurlijke wijze tussen de beide echtgenoten verdeeld werd. Maar daarmee raakt men de kern van de zaak niet. De man kan natuurlijk aan zijn vrouw de verantwoordelijkheid voor de keuken en zelfs voor de opvoeding van de  kinderen overlaten maar daarmee maakt hij haar nog niet tot een zelfstandig subject, wanneer hij namelijk veronderstelt, dat zij 'in zijn geest' handelt en in geen geval de 'familiebelangen' schaadt.
Maar als blijkt dat haar opvatting van deze 'belangen' afwijkt van de zijne, spreekt het voor hem vanzelf, dat hij de juiste opvatting heeft en zij de verkeerde.
   Het leven laat zoveel zelfgenoegzaamheid niet ongestraft toe. Er zal, vroeger of later, een geval komen, waarin de vrouw blijkbaar gelijk heeft en de man ongelijk. Misschien zal de een of andere uitgave volgens haar noodzakelijk zijn en volgens hem overbodig. Het uitgeven van een grotere som ineens, op voorstel van de vrouw, zal feitelijk, op den duur, bezuiniging betekenen. Nu is het de vraag of de vrouw zich maar voortdurend als object laat behandelen en, tegen haar overtuiging in, de uitgave achterwege laat (misschien met de bijgedachte dat de man dan de schuld treft, wanneer men minder uit kan sparen). Of dat zij, door een openlijk trotseren van zijn gebod, het begeerde aanschaft en hem voor het voldongen feit plaatst om hem later met het huishoudboek in de hand te bewijzen, dat zij gelijk heeft gehad.
Maar zij kan ook aan een derde weg de voorkeur geven, de weg der heimelijkheid, waarbij zij schijnbaar gehoorzaamt en in werkelijkheid doet wat haar goed dunkt.
   In de beide laatste gevallen toont zij, dat zij subject is. Zij aanvaardt haar eigen verantwoordelijkheid. In het eerste geval openlijk, in het tweede geval in het geheim.
   In elk geval heeft de man zijn doel niet bereikt. Want zijn doel was: de heer des huizes te blijven en tegelijk de huishouding zo zuinig mogelijk te laten zijn. Het bewijst hem nu, dat hij niet in staat is deze beide bedoelingen tegelijk te verwezenlijken. Hij moet het een of het ander loslaten, of hij moet met de schijn tevreden zijn en zich door zijn vrouw laten wijsmaken, dat hij nog steeds de alwetende, onfeilbare 'Heer des huizes' is, terwijl hij eigenlijk al het voorwerp van haar tactiek is geworden.
   Deze teleurstelling is het gevolg van het feit, dat ieder karakter tenslotte niet alleen voorwerp of object is, maar ook een eigen wezen heeft. Subject is.
   De mens handelt, niettegenstaande alle berekeningen, altijd anders dan hij 'moest' handelen. Soms groeit het leven of het gaat te gronde onder voorwaarden, waaronder het gewoonlijk het tegendeel doet.
De ontwikkeling slaat plotseling een richting in die met iedere poging om welbewust invloed uit te oefenen spot. De vrijheid toont dat zij, door de samenhang van oorzaak en gevolg, noch te doorgronden, noch te besturen is. De fouten, afwijkingen en de vele eigenaardigheden die wij karaktertrekken noemen, hangen niet samen met het levende subject maar juist met het dode object. Daarin zijn altijd aspecten van starheid, mechanisme of een dwangbuis te vinden. Daarom kunnen zij het voorwerp van wetenschappelijke studie zijn en, tot op zekere hoogte, ook geleid worden. Zij vormen terecht het bijzondere terrein van de karakterkunde. Maar daarover later meer.
 
   Theoretisch zal natuurlijk elke opvoeder, zielzorger, en vooral liefhebbende erkennen, dat deze dingen zo zijn. Maar in de praktijk zal wel niemand in staat zijn zich volkomen aan het voorschrift te houden, dat uit het voorgaande volgt.

Wij zijn alle opgenomen in een beweging die ons, langs omwegen en door lijden, voortbeweegt. En daarom bestaat ons leven, onze menswording, in het gunstigste geval uit een voortdurend leren.


Het voorschrift luidt:

Als je een mens (zij het u zelf of een ander) tot voorwerp van uw onderzoek of invloed wilt maken, vergeet dan nooit, dat hij meer is dan een voorwerp, namelijk: een ondoorgrondelijk, onberekenbaar, vrij en scheppend subject.