I promessi Sposi

De verloofden

Alessandro Manzoni

Alessandro Francesco Tommaso Manzoni (Milaan, 7 maart 1785 - aldaar, 22 mei 1873) was een Italiaans dichter en romanschrijver.

 

Noord-Italië, zeventiende eeuw. Een turbulente periode in de Italiaanse geschiedenis. Twee eenvoudige jonge mensen, Renzo en Lucia, staat op het punt te gaan trouwen, maar de pastoor weigert het huwelijk in te zegenen... Een buitengewoon romantisch verhaal, dat in de Italiaanse literatuur de status heeft van een klassieker. De eerste versie verscheen in 1827, een herziene uitgave volgde in 1824: overal in Europa reikten Romantiek en nationalisme elkaar de hand, vooral bij volkeren die nog geen eigen staat bezaten, zoals de Italianen. Manzoni haakte daarop in door zijn boek te laten spelen in de zeventiende eeuw, eveneens een periode waarin patriottische groeperingen en vreemde overheersers tegenover elkaar stonden. Omdat het 'Italiaans' nog niet bestond, viel Manzoni's keus op het gesproken Toscaans en nam hij in iedere nieuwe editie weer nieuwe woorden op. Zijn bijdrage aan de Italiaanse eenheidstaal en daarmee aan de Italiaanse eenheid is dientengevolge niet te onderschatten. De verloofden is ook een uitgesproken opbouwend boek: machtsmisbruik, ogendienst, ja, zelfs de pest worden overwonnen door godsvrucht en deugd. Een en ander heeft ervoor gezorgd dat er één roman is die iedere enigszins geschoolde Italiaan kent: I promessi sposi. De lokale potentaat blijkt een oogje op Lucia te hebben. Zij zoekt haar toevlucht in een klooster maar wordt verraden en ontvoerd door een roofridder. Als deze onder de invloed van de beroemde kardinaal Borromeo zijn zondige leven vaarwel zegt, laat hij haar gaan. Renzo belandt in de grote stad, Milaan, waar een hongersnood heerst bij een volksopstand wordt hij enige tijd door de Spaanse overheersers vastgehouden. Hij ontsnapt, vlucht de grens over en wanneer hij weer terugkomt, op zoek naar zijn verloofde, wordt het stadsbeeld bepaald door karren vol pestlijken. Ten slotte vindt hij zijn bruid terug in het lazaret...


Ronald de Rooy herleest Manzoni.  Trouw  31 JULI 2004

Manzoni verleidt de Italiaanse lezer vooral met zijn prachtige stijl en zijn sublieme taal. Aan de niet-Italiaanse lezer biedt 'De verloofden' een bijzonder onderhoudend verhaal (simpel qua intrige, maar boeiend in details), veel subtiele humor, prachtige natuurbeschrijvingen, aangrijpende historische uitweidingen en legio onvergetelijke personages.
Het verhaal begint op 7 november 1628, op een bergpad tussen Milaan en het Como-meer, bij pastoor Don Abbondio, angsthaas in een barbaarse tijd waarin de Spanjaarden de dienst uitmaken in het hertogdom Milaan. Don Abbondio 'was niet geboren met een leeuwenhart' en realiseerde zich ,,dat zijn situatie in die wereld niet anders was dan die van een aardewerken pot die zich gedwongen ziet te reizen in gezelschap van een enorme hoeveelheid ijzeren potten''. Door twee handlangers van de lokale tiran Don Rodrigo wordt Don Abbondio te verstaan gegeven dat hij het huwelijk van Renzo en Lucia beter niet kan voltrekken. Het begin van een onrechtvaardige, jarenlange scheiding van de twee verloofden.
Terwijl Manzoni nog wel begrip kan opbrengen voor de fouten, de zwakheden en het lauwe geloof van Don Abbondio, heeft hij een intense afschuw van de 'ijzeren potten' in zijn verhaal, de tirannieke machthebbers die armen en zwakken onderdrukken, vaak onder het mom van gerechtigheid en orde. In het bijzonder schetst hij een duister portret van de lokale tiran Don Rodrigo, de schurk die zijn oog op Lucia heeft laten vallen en geen enkel middel schuwt om zijn doel te bereiken. Tijdens de afschuwelijke pestepidemie van 1630 sterft hij in erbarmelijke omstandigheden in het lazaret van Milaan. In de eerste versie van de roman lijkt zelfs de vrome Manzoni geen enkel medelijden te voelen met Don Rodrigo. In 'De verloofden' krijgt hij een waardiger dood.
In het Milanese lazaret vindt Renzo ook eindelijk zijn Lucia terug. De scheiding van de twee geliefden eindigt zo toch nog met een huwelijk en een (zij het ietwat gezapig) happy end. Beiden trekken ze lessen uit de geschiedenis. Het is vooral Renzo die zijn kinderen doceert over alles wat hij heeft geleerd (,,Ik heb geleerd goed op te letten met wie ik praat, ik heb geleerd om niet te diep in het glaasje te kijken''), maar Lucia herinnert hem er op een dag fijntjes aan dat haar ervaren en geleerde echtgenoot toch iets over het hoofd ziet. De échte conclusie hoort te zijn dat problemen soms op je weg komen zónder dat je daar aanleiding toe hebt gegeven, ,,en dat, als ze toch op je weg komen, het geloof in God ze zal verzachten en zal maken dat je er je hele verdere leven wat aan hebt''. Het evenwicht is hersteld. Hoewel Manzoni (net als de grote Dante met wie deze canon begon) de lezer doorlopend voorhoudt dat alles waar gebeurd is -Manzoni's verhaal is gebaseerd op een anoniem manuscript en op grondig historisch onderzoek- is het uiteindelijk de auteur zelf die de touwtjes van zijn verhaal stevig in handen heeft.
Vorige maand verscheen 'De verloofden' in een nieuwe vertaling door Patty Krone en Yond Boeke (Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam, 2004).


Mijn scan gaat uit van de vertaling van Fons Winkelmans Davidsfonds/Leuven
Ben wel benieuwd wat  Patty Krone en Yond Boeke ervan gemaakt hebben.



We nemen U mee naar de hoofdstukken 15 en 16 van het boek waar zich een ontmoeting gaat afspelen tussen de kardinaal en don Abbondio. Don Abbondio is de pastoor die steeds geweigerd heeft de twee geliefden Renzo en Lucia te trouwen omdat hij de macht van de Ongenoemde te zeer vreesde. De kardinaal ondervraagt hem op dit punt.


Pastoor: Don Abbondio
Huishoudster van de pastoor: Perpétua
Kardinaal: Federigo Borromeo
Geliefden: Renzo en Lucia
Een dwingeland: Don Rodrigo
Nog een dwingeland: De Ongenoemde
 
 

Toen de dienst gedaan was, werd don Abbondio, die zich naar huis had gespoed om te zien of Perpétua alles gereed had gemaakt voor het middageten, bij de kardinaal geroepen. Hij ging dadelijk naar zijn hoge gast, die hem liet naderen: "Heer pastoor," begon hij, en deze woorden werden gezegd op een wijze die liet verstaan dat ze het begin waren van een lang en ernstig gesprek, "heer pastoor, waarom hebt u die arme Lucia en haar verloofde niet in het huwelijk verbonden?"
- Ze hebben vanmorgen uit de school gepraat, - dacht don Abbondio en hij mompelde: "Doorluchtig monseigneur heeft wel horen spreken van de verwikkelingen die in die zaak zijn ontstaan. Het is zo'n verwarring geweest dat men zelfs op de dag van vandaag niet klaar kan zien. Zoals Uwe Doorluchtigheid ook hieruit kan opmaken, dat het meisje, na zoveel voorvallen en als bij mirakel, hier is, en dat men van de jongeman, na andere voorvallen, niet weet waar hij zich bevindt."
"Ik vraag," hernam de kardinaal, "of het waar is dat u vóór al die gebeurtenissen geweigerd hebt het huwelijk in te zegenen, toen u erom gevraagd werd, op de vastgestelde dag; en het waarom."
"Waarlijk... als Uwe Doorluchtigheid wist... wat aanzeggingen... wat vreselijke bevelen ik heb gekregen om niet te spreken..." En hier hield hij op, zonder te besluiten, op een manier die eerbiedig te verstaan gaf dat het onbescheiden zou zijn meer te willen weten.
"Maar," zei de kardinaal, op een toon en met een gelaat ernstiger dan gewoonlijk, "het is uw bisschop, die zoals het zijn plicht is en voor uw rechtvaardiging, van u wil vernemen waarom u niet gedaan hebt wat volgens de regels uw plicht was te doen."
"Monseigneur," zei don Abbondio, die heel kleintjes werd, "ik heb niet willen zeggen... Maar omdat het ingewikkelde en oude zaken zijn, waar niets meer aan te doen is, dacht ik dat het nutteloos was ze weer op te roeren... Nochtans... ik weet dat Uwe Doorluchtigheid een arme pastoor niet zal verraden. Want, ziet u monseigneur, Uwe Doorluchtigheid kan niet overal zijn en ik blijf hier blootgesteld... Nochtans, als u het mij beveelt, zal ik alles zeggen."
"Spreek! Ik zou niet anders willen dan u zonder schuld te vinden."
Dan begon don Abbondio de pijnlijke geschiedenis te vertellen. Maar hij verzweeg de voornaamste naam en zei in de plaats: een groot heer. Zo gaf hij aan de voorzichtigheid het weinige dat voor iemand die zo in de knel zat, mogelijk was.
"En u hebt geen andere beweegreden gehad?" vroeg de kardinaal, toen don Abbondio had geëindigd.
"Ik heb mij misschien niet genoeg verklaard," antwoordde deze. "Op straffe van de dood hebben ze mij bevolen dat huwelijk niet te sluiten."
"En schijnt u dat een voldoende reden om na te laten een duidelijke plicht te vervullen?"
"Ik heb altijd gepoogd mijn plicht te doen, ook met groot ongemak, maar wanneer het om het leven gaat..."
"En toen u zich aan de Kerk hebt aangeboden," zei Federigo op nog ernstiger toon, "om deze bediening op u te nemen, heeft zij toen borg gestaan voor uw leven? Heeft zij u gezegd dat de plichten die aan het ambt verbonden zijn, vrij waren van elke moeilijkheid, vrij van elk gevaar? Of heeft zij u misschien gezegd dat waar het gevaar begint, de plicht ophoudt? Of heeft zij u niet uitdrukkelijk het tegendeel gezegd? Heeft zij u niet gewaarschuwd dat zij u zond als een lam onder de wolven? Wist u niet dat er geweldenaars zijn, aan wie zou kunnen mishagen wat u zou bevolen worden? Hij van Wie wij de leer en het voorbeeld hebben, in navolging van Wie wij ons herders noemen en laten noemen, heeft Hij, toen Hij op aarde kwam om Zijn herdersambt uit te oefenen, misschien tot voorwaarde gesteld dat Zijn leven veilig zou zijn? En om ons leven te redden, om het enkele dagen langer op aarde te bewaren wil ik zeggen, ten koste van de liefde en de plicht, was daarvoor de heilige zalving nodig, de oplegging van de handen, de genade van het priesterschap? Ook de wereld is in staat die deugd te schenken, die leer te onderwijzen. Wat zeg ik? O schande! Ook de wereld wijst die leer af. Ook de wereld maakt haar wetten, die het kwade zoals het goede voorschrijven. Zij heeft ook haar evangelie, een evangelie van hoogmoed en haat. En zij wil niet dat men zegt dat de liefde tot het leven een reden is om haar geboden te overtreden. Zij wil het niet en zij wordt gehoorzaamd. En wij! Wij, kinderen en verkondigers van de belofte! Wat zou de Kerk zijn, als die taal van u de taal was van al uw medebroeders? Waar zou zij staan, als zij met zulk een leer in de wereld was verschenen?"
Don Abbondio stond met gebogen hoofd. Zijn geest voelde zich bij deze argumenten zoals een kuiken in de klauwen van een valk, die het vasthouden hoog in een onbekend gewest, in een lucht die het nooit heeft ingeademd. Omdat hij inzag dat hij iets moest antwoorden, zei hij met een zekere gedwongen onderwerping: 'Doorluchtig monseigneur, ik heb wellicht ongelijk. Als het leven niet telt, weet ik niet wat te zeggen. Maar wanneer men met zekere lieden te doen heeft, met lieden die de macht hebben en niet naar rede willen luisteren, dan zou ik niet weten wat er te winnen is met de held uit te hangen. Die heer is iemand tegen wie men niet kan winnen of gelijk spelen."
"En weet u niet dat lijden voor de rechtvaardigheid ons overwinnen is? En als u dat niet weet, wat predikt u dan? Wat leert u dan? Welke is de goede boodschap die u aan de armen verkondigt? Wie eist van u dat u geweld met geweld overwint? Zeker zal u op een dag niet gevraagd worden of u de machtigen hebt kunnen tot staan brengen, want daarvoor werd u de zending noch het vermogen gegeven. Maar er zal u wel gevraagd worden of u de middelen hebt gebruikt die u ter hand stonden om te doen wat u was voorgeschreven, ook wanneer zij de vermetelheid hadden het u te verbieden."
- Ook deze heilige is een wonderlijk man, - dacht don Abbondio intussen. - Want in wezen, als men het sap eruit perst, komen zijn woorden erop neer dat het minnekozen van twee jonge mensen hem meer aan het hart ligt dan het leven van een arme priester. - En wat hem betrof, had hij graag gehad dat het gesprek hiermee een einde nam. Maar hij zag dat de kardinaal bij iedere pauze de houding aannam van iemand die een antwoord verwacht: een bekentenis, of een woord ter verdediging, kortom iets.
'Ik zeg nogmaals, monseigneur," antwoordde hij dus, "dat ik wellicht ongelijk heb... Moed kan men zich zelf niet geven."
"En waarom dan, zou ik u kunnen zeggen, hebt u een ambt op u genomen, dat u oplegt strijd te voeren tegen de hartstochten van de wereld? Maar ik zeg u liever: als er in deze bediening, hoe u er ook toe gekomen bent, moed nodig is om uw verplichtingen na te komen, hoe bedenkt u dan niet dat er Iemand is die u deze moed onfeilbaar zal geven, als u er Hem om vraagt? Denkt u dat al die miljoenen martelaren van nature moed hadden? Dat ze van nature het leven van geen tel achtten? Zoveel jonge mannen die van het leven begonnen te genieten, zoveel ouderen die betreurden dat het naar zijn einde liep, zoveel jonge meisjes, zoveel vrouwen, zoveel moeders? Allen hebben moed gehad, omdat moed nodig was en zij vertrouwen hadden. Uw zwakheid kennend en uw plichten, hebt u eraan gedacht u voor te bereiden op de moeilijke toestanden waarin u kon komen, en waarin u inderdaad gekomen bent? O, als u in al die jaren van uw herdersambt uw kudde hebt liefgehad (en hoe zou u niet?), als uw hart, uw zorgen, uw genoegen haar gegolden hebben, dan kon, als het nodig was, de moed u niet ontbreken: de liefde is onverschrokken. Welnu, als u hen beminde die aan uw geestelijke zorgen zijn toevertrouwd en die u uw kinderen noemt, en u zag dat twee van hen samen met u bedreigd waren, o zeker! zoals de zwakheid van het vlees u heeft doen beven voor uzelf, zal de liefde u hebben doen beven voor hen. U zult u verootmoedigd hebben voor die eerste vrees, omdat ze een gevolg was van uw ellende. U zult de kracht hebben afgesmeekt om ze te overwinnen en te verjagen, omdat het een bekoring was. Maar de heilige en edele vrees voor de anderen, voor uw kinderen, zult u aanhoord hebben. Zij zal u geen rust gegund hebben, zij zal u aangespoord en gedwongen hebben om na te denken, en te doen wat mogelijk was om het gevaar af te weren dat hen bedreigde... Wat heeft die vrees, de liefde u ingegeven? Wat hebt u voor hen gedaan? Wat hebt u gedacht?" En hij zweeg als iemand die op een antwoord wacht.


 
XXVI


Bij een dergelijke vraag bleef don Abbondio, die zich nochtans had ingespannen om op minder precieze vragen iets te antwoorden, zonder een woord uit te brengen. En om de waarheid te zeggen, ook wij, met dit handschrift voor ons en de pen in de hand, en die alleen met de volzinnen te worstelen en de kritiek van onze lezers te vrezen hebben, ook wij, zeg ik, voelen een zekere tegenzin om voort te gaan. Wij vinden het een beetje vreemd om, met zo weinig moeite, al die mooie lessen voor te houden van sterkte en liefde, werkzame bezorgdheid voor de anderen en onbegrensde zelfopoffering. Maar als wij bedenken dat die dingen werden gezegd door iemand die ze zelf ook deed, gaan we moedig verder.
"U antwoordt niet," hernam de kardinaal. "O, als u van uw kant gedaan had wat de liefde, wat de plicht eisten, dan zou u nu een antwoord hebben, hoe de zaken ook gegaan waren. U ziet dus zelf wat u gedaan hebt. U hebt gehoorzaamd aan de ongerechtigheid, zonder u te bekommeren om wat de plicht u voorschreef. U hebt de boosheid stipt gehoorzaamd. Ze had zich aan u vertoond om u haar verlangen kenbaar te maken. Maar ze wou verborgen blijven voor wie zich tegen haar had kunnen beschutten en op zijn hoede zijn. Ze wou niet dat er gerucht werd gemaakt, ze wou geheimhouding, om op haar gemak haar plannen van arglist of geweld te laten rijpen. Ze gebood u de overtreding en het stilzwijgen; u hebt overtreden en niet gesproken. Ik vraag u nu of u niet nog meer hebt gedaan. U zult mij zeggen of het waar is dat u voor uw weigering voorwendsels hebt gezocht, om de beweegreden niet te openbaren." En hij hield even op, opnieuw wachtend op een antwoord.
- Ook dat hebben de babbelaarsters hem overgebracht, - dacht don Abbondio, maar hij gaf geen teken dat hij iets te zeggen had. Zodat de kardinaal hernam: "Is het waar dat u aan die ongelukkigen onwaarheid hebt gezegd, om hen in de onwetendheid te laten, in de duisternis waarin de boosheid hen wou hebben...? Ik moet het dus geloven, er blijft mij dus niets over dan er met u over te blozen, en te hopen dat u het met mij zult bewenen. U ziet waartoe die bezorgdheid voor het leven dat eens moet eindigen, u heeft gebracht (goede God! Zoeven hebt u ze nog als verontschuldiging aangevoerd). Zij heeft u ertoe gebracht... weerleg vrijelijk mijn woorden als ze u onrechtvaardig lijken, en neem ze aan tot heilzame verootmoediging als ze het niet zijn... zij heeft u ertoe gebracht de zwakken te misleiden en tegen uw kinderen te liegen."
- Zo zie je hoe het gaat, - zei don Abbondio nog bij zichzelf. - Die Satan, - en hij dacht aan de Ongenoemde, - valt hij om de hals. En met mij, om een halve leugen, alleen om mijn huid te redden, zoveel misbaar! Maar zij zijn de oversten, ze hebben altijd gelijk. Het is mijn gesternte dat ze het allemaal op mij voorzien hebben, ook de heiligen. - En hardop zei hij: "Ik heb misdaan; ik begrijp dat ik misdaan heb. Maar wat moest ik doen in zo'n moeilijk geval?"
"En dat vraagt u nog? En heb ik het u niet gezegd? En moest ik het u zeggen? Beminnen, mijn zoon, beminnen en bidden. Dan zou u gevoeld hebben dat de boosheid wel kan dreigen en slaan zelfs, maar geen bevelen kan geven. Dan had u volgens Gods wet verbonden wat de mens wou scheiden, en die onschuldige en ongelukkige mensen de dienst bewezen die zij het recht hadden van u te eisen. Voor de gevolgen zou de Heer God borg zijn gebleven, omdat men Zijn weg zou zijn gegaan. Maar omdat u een andere hebt genomen, bent u zelf aansprakelijk, en voor welke gevolgen! Maar ontbraken u misschien alle menselijke hulpmiddelen? Stond er misschien geen enkele uitweg open, als u rondom u had willen kijken, nadenken, zoeken? Nu mag u weten dat die arme mensen, waren ze getrouwd geweest, zelf aan hun redding gedacht zouden hebben. Ze waren gereed om uit het gezicht van de machtige te vluchten, en hadden al een toevluchtsoord bepaald. Maar ook zonder dat, is het u niet ingevallen dat u tenslotte een overste had? Hoe zou deze het gezag hebben u over tekortkomingen in uw ambt te berispen, als hij ook niet de verplichting had u te helpen om het te vervullen? Waarom hebt u er niet aan gedacht uw bisschop in te lichten over de hindernis die schandelijk geweld de uitoefening van uw ambt in de weg legde?"
- De mening van Perpétua! - dacht don Abbondio kwaad. Maar wat hem tijdens het hele gesprek het levendigst voor ogen stond, was het beeld van die bravi en de gedachte dat don Rodrigo nog leefde en gezond was en de een of andere dag roemrijk en zegevierend en woedend terug zou keren. En hoewel de waardigheid van de kerkvorst, zijn uiterlijk en zijn taal hem verwarden en hem een zekere vrees inboezemden, was het nochtans een vrees die hem niet helemaal onderwierp, of belette in gedachten weerspannig te zijn. Want tenslotte wist hij toch dat de kardinaal geen geweer gebruikte, geen degen en geen bravi.
"Hoe hebt u er niet aan gedacht," ging deze voort, "dat als er voor die onschuldige belaagden geen andere toevlucht openstond, ik er toch was om hen te ontvangen, om hen in veiligheid te brengen, als u ze naar mij had gezonden? Als u die verlatenen naar een bisschop had gezonden, als zijn eigen goed, als een kostbaar deel, ik zeg niet van zijn ambtsbediening, maar van zijn rijkdommen? En wat u betreft, ik zou om u bekommerd zijn geweest. Ik had niet mogen slapen, zolang ik niet zeker was dat u geen haar gekrenkt zou worden. Zou ik niet geweten hebben hoe en waar uw leven te beschermen? En gelooft u niet dat deze man die zo vermetel was, heel wat minder stout zou zijn geweest, als hij geweten had dat zijn kuiperijen verder dan hier bekend waren, mij bekend waren, dat ik waakte en besloten was voor uw verdediging alle middelen te gebruiken die mij ter hand stonden? Wist u niet dat als de mens al te vaak meer belooft dan hij gestand kan doen, hij ook niet zelden met meer dreigt dan hij later durft uitvoeren? Wist u niet dat de boosheid niet alleen steunt op eigen krachten, maar ook op andermans lichtgelovigheid en angst?"
- Helemaal de redenering van Perpétua, - dacht opnieuw don Abbondio, zonder te beseffen dat die eensgezindheid van zijn dienstbode met Federigo Borromeo, over wat men had kunnen en moeten doen, zeer tegen hem getuigde.
"Maar u," vervolgde en besloot de kardinaal, "hebt niets gezien, niets willen zien dan uw eigen tijdelijk gevaar. Wat wonder dan, dat het u zo groot voorkwam dat u er al het andere voor verwaarloosd hebt?"
"Het is omdat ik ze gezien heb, die gezichten," liet don Abbondio zich ontvallen, "omdat ik ze gehoord heb, die woorden. Uwe Doorluchtigheid heeft goed praten, maar u moest eens in de huid van een arme priester zitten en in dat geval zijn geweest."
Zodra hij die woorden had uitgesproken, beet hij zich op de tong. Hij merkte dat hij zich door zijn gramschap te zeer had laten meeslepen, en zei in zichzelf: - Nu komt de hagel. - Maar toen hij onzeker de ogen opsloeg, was hij heel verwonderd te zien dat op het aangezicht van die man, die hij nooit zou kennen of begrijpen, de gezagvolle en vermanende ernst plaats maakte voor een uitdrukking van rouwmoedigheid en nadenken.
"Helaas!" zei Federigo, "dit is onze schamele en vreselijke toestand. Wij moeten streng van anderen eisen wat God weet of wij zelf bereid zouden zijn te geven. Wij moeten oordelen, verbeteren, berispen. En God weet wat wij in hetzelfde geval zouden doen, of wat wij in gelijkaardige gevallen hebben gedaan! Maar wee mij, als ik mijn zwakheid tot maatstaf zou nemen voor andermans plicht, tot richtsnoer van mijn onderwijzing! Nochtans is het waar dat ik, samen met de leer, aan anderen een voorbeeld moet geven, en niet gelijk worden aan de schriftgeleerde, die de anderen lasten oplegt die zij niet kunnen dragen, en die hij zelf met geen vinger aanraakt. Welnu, mijn zoon en broeder, daar de fouten van de oversten dikwijls meer bekend zijn aan de anderen dan aan hen zelf, zeg het mij openhartig, zo u weet dat ik uit kleinmoedigheid of om iemand te ontzien, een van mijn plichten heb verwaarloosd. Breng mij tot inzicht, opdat waar het voorbeeld heeft ontbroken, door de bekentenis tenminste iets wordt goedgemaakt. Laak vrijmoedig mijn zwakheden. Dan zullen de woorden meer waarde krijgen in mijn mond, omdat u levendiger zult voelen dat het niet mijn woorden zijn, maar van Hem die u en mij de nodige kracht kan geven om te doen wat zij voorschrijven."
- Wat een heilig man! Maar wat een kwelling! - dacht don Abbondio. - Ook voor zichzelf. Altijd moet hij snuffelen, oproeren, hekelen, onderzoeken. Ook voor zichzelf. - En hardop zei hij: "O monseigneur! Zegt u het om te schertsen? Wie kent niet de dappere inborst, de onverschrokken ijver van Uwe Doorluchtigheid?" En in gedachte voegde hij eraan toe: - Zelfs wat te zeer! -
"Ik vroeg u geen lofspraak, die mij doet beven," zei Federigo. "Want God kent mijn tekorten, en wat ik er zelf van ken, volstaat om mij te beschamen. Maar ik had gewild, ik zou willen dat wij samen voor Hem beschaamd zouden staan, om samen te vertrouwen. Uit liefde tot u zou ik willen dat u begreep hoe zeer uw gedrag in strijd is geweest, hoe zeer uw taal in strijd is met de wet die u toch predikt en naar dewelke u geoordeeld zult worden."
"Alles komt op mij neer," zei don Abbondio. "Maar de personen die zijn komen overbrieven, hebben u wel niet gezegd dat ze verraderlijk in mijn huis zijn gedrongen, om mij te verrassen en een huwelijk te sluiten tegen de regels."
"Ze hebben het mij gezegd, mijn zoon, maar het doet mij leed, en het ontmoedigt mij dat u nog verlangt u te verontschuldigen. Dat u denkt u te verontschuldigen door aan te klagen, dat u een reden tot aanklacht vindt in wat een deel moest zijn van uw bekentenis. Wie heeft hen, ik zeg niet in de noodzakelijkheid, maar in de verleiding gebracht om te doen wat zij gedaan hebben? Hadden zij die onregelmatige weg gezocht, als de wettige niet voor hen gesloten was geweest? Hadden zij eraan gedacht hun herder te belagen, als hij hen in zijn armen genomen, geholpen, raad gegeven had? Hem te verrassen, als hij zich niet verborgen had? En hun wilt u iets ten laste leggen? En u bent boos omdat zij na zoveel ongeluk, wat zeg ik? te midden van hun ongeluk, een woord gezegd hebben, om hun gemoed uit te storten bij hun, bij uw herder? Dat het verzoek om hulp van de verdrukte, de aanklacht van de beproefde voor de wereld ergerlijk zijn, de wereld is zo; maar voor ons! En welk voordeel was het voor u geweest, als zij gezwegen hadden? Was het beter voor u dat hun zaak geheel en al voor Gods gericht kwam? Is het voor u geen nieuwe reden om die mensen te beminnen (en u hebt er al zovele), dat zij u de gelegenheid hebben geschonken de oprechte stem van uw bisschop te horen, dat zij u een middel hebben gegeven om de grote schuld die u jegens hen hebt, beter te kennen en ten dele af te betalen? Ach, ook als ze u uitgedaagd, gekrenkt, gekweld hadden, zou ik u zeggen (en hoef ik het u te zeggen?) hen lief te hebben, juist daarom. Bemin hen, omdat zï) geleden hebben, omdat zij lijden, omdat zij de uwen zijn, omdat zij zwak zijn, omdat u vergiffenis nodig hebt. En denk eens hoe krachtig hun gebed kan zijn om die te bekomen."
Don Abbondio zweeg, maar het was niet meer het gedwongen en ongeduldige stilzwijgen; hij zweeg als iemand die meer te denken dan te zeggen heeft. De woorden die hij hoorde, waren onverwachte gevolgtrekkingen, nieuwe toepassingen van een leer die voor zijn geest niet nieuw was, en die hij nooit had bestreden. Het leed van de anderen, dat de vrees voor eigen leed hem altijd belet had onder ogen te zien, maakte nu een nieuwe indruk op hem. En als hij ook niet al de wroeging voelde die de prediking wou teweegbrengen (want diezelfde vrees was er altijd om de rol van verdediger op te nemen), had hij nochtans enig berouw. Hij voelde een zeker ongenoegen over zichzelf, medelijden met de anderen, een mengeling van tederheid en schaamte. Hij was, als de vergelijking op haar plaats is, als de vochtige, plat-gedrukte pit van een kaars, die bij de vlam van een grote toorts gehouden, eerst rookt en spat en knettert en er niets van wil weten. Maar uiteindelijk vat ze vuur en brandt, zo goed en zo kwaad als het kan. Hij zou zichzelf openlijk aangeklaagd, hij zou geweend hebben, als er niet de gedachte aan don Rodrigo was geweest. Maar toch toonde hij zich voldoende bewogen, om de kardinaal te laten merken dat zijn woorden niet zonder uitwerking waren gebleven.
"Op dit ogenblik," vervolgde deze, "is de een uit zijn huis gevlucht, de andere staat op het punt het hare te verlaten. Beiden hebben meer dan gegronde redenen om er verre van te blijven, zonder vooruitzicht hier nog ooit samen te komen, en tevreden met de hoop dat God hen elders zal herenigen. Nu hebben zij u helaas niet nodig. U hebt helaas geen gelegenheid om hun goed te doen, en ons beperkt vooruitzien kan er in de toekomst ook geen ontdekken. Maar wie weet of de barmhartige God er u geen bereidt? Ach, laat ze niet ontsnappen! Zoek ze op, sta op de uitkijk, bid Hem dat Hij ze laat ontstaan."
"Ik zal niet in gebreke blijven, monseigneur, zeker niet," antwoordde don Abbondio, met een stem die op dat ogenblik echt uit het hart kwam.
"O ja, mijn zoon, ja!" riep Federigo uit, en waardig en vol genegenheid besloot hij: "De Hemel weet dat ik verlangd had een heel ander gesprek met u te voeren. Beiden hebben wij al lang geleefd. De Hemel weet dat het mij hard viel uw grijsheid te moeten bedroeven met terechtwijzingen, en hoeveel liever het mij geweest was elkaar te troosten in onze gemeenschappelijke zorgen, in onze moeilijkheden, en te spreken over de zalige hoop die wij zo dicht genaderd zijn. Moge het God behagen dat de woorden die ik tot u heb moeten richten, u en mij tot voordeel zijn. Maak niet dat Hij mij op die dag rekenschap moet vragen, omdat ik u in een bediening heb gehandhaafd waarin u zo jammerlijk hebt gefaald. Laten wij de tijd goed gebruiken. Middernacht is nabij; de Bruidegom zal spoedig komen, houden wij onze lampen brandend. Bieden wij God onze arme, ledige harten aan, opdat het Hem behage ze te vervullen met de liefde die het verleden herstelt, de toekomst verzekert, die vreest en vertrouwt, weent en zich verblijdt met wijsheid, die in alle gevallen de deugd wordt welke wij nodig hebben."
Na die woorden verwijderde hij zich, en don Abbondio volgde hem.
Hier bericht ons de naamloze schrijver dat dit niet het enige gesprek was tussen beide mannen, en Lucia niet het enige onderwerp van hun gesprekken; maar dat hij zich tot dit ene heeft beperkt, om niet af te wijken van het hoofdthema van het verhaal. En dat hij om dezelfde reden ook geen melding zal maken van andere opmerkelijke dingen, door Federigo gezegd tijdens heel de loop van dit kerkenbezoek, noch van zijn vrijgevigheid, noch van door hem beslechte geschillen, of van oude vetes tussen personen, families, hele dorpen, die werden bijgelegd of (wat helaas veelvuldiger voorkwam) gesust, noch van een of andere bravo of een dwingelandje die door hem voor hun verdere leven of voor een tijdje werden getemd. Allemaal dingen waarvan er altijd meer of minder waren, in iedere plaats van het bisdom waar deze uitmuntende man verblijf hield.



***



Home