Over Opvoeding en "moeilijke" kinderen

THEORETISCH GEDEELTE
Algemene Grondbeginselen

Wanneer wij over "opvoeding" spreken, moeten wij beginnen ons duidelijk te maken, wat wij tegenwoordig daarmede bedoelen, want met de wisselende doelstellingen der voortschrijdende cultuur veranderen ook de opvattingen over de zin van het menselijke leven en over de taak van individu en gemeenschap. Voor elk tijdperk heeft zich een codex van algemeen erkende wetten uit de heersende opvattingen gevormd en gewoonlijk heeft men onder "opvoeding" verstaan het overbrengen op de jonge generatie van deze, eigenlijk aan een bepaald tijdperk gebonden, wetten.
Men zag daarbij de meest wezenlijke factor van het leven over het hoofd: de beweging, de ontwikkeling, die al wat aan een bepaald tijdperk gebonden is meedogenloos voorbijstreeft, verandert en, die zelfs het algemeen geldige "eeuwig ware" leert kennen als een wisselende formulering van toevallig overheersende levensopvattingen van mensen, die mede veranderen met de door hen zelf gemaakte geschiedenis.
De schijntragedie van de door de jeugd verloochende en verlaten oudere generatie is niets anders dan het antwoord van het leven op een verkeerde geesteshouding, die het vergankelijke als iets absoluuts en onveranderlijks wil overdragen en in het leven houden.
Voor zover de jongeren zich aan een overvoeding met deze oudbakken kost hebben weten te onttrekken en dus waarlijk levend zijn gebleven, hebben zij uit het lijden der ouderen geleerd, dat opvoeding iets anders moet zijn dan het overbrengen van ervaringsstof. Thans betekent opvoeden: In het kind de mogelijkheid voorbereiden om op de vragen van het leven te antwoorden. Met andere woorden, de moed van het kind in stand te houden, opdat in hem, uit de voortdurende aanraking met het leven, de eigenschappen groeien kunnen, die hem in staat zullen stellen zich voortdurend aan te passen, met het leven voort te schrijden en zodoende aan de cultuur niet slechts passief, maar actief en scheppend deel te nemen.
Aan deze opvatting van de opvoeding ligt de optimistische mening ten grondslag, dat in ieder mens al het nodige voorhanden en tot ontwikkeling bereid is, indien het niet door verkeerde leiding belemmerd wordt. En dit optimisme maakt het tevens mogelijk om de rol, die de autoriteit der volwassenen bij de opvoeding pleegt te vervullen, op het leven zelf te doen overgaan.

Een klein voorbeeld uit de praktijk kan misschien aantonen wat hiermee bedoeld wordt. Een vierjarige knaap is in de tuin bezig met zijn bouwdoos. Zijn moeder zit dicht bij hem te lezen. Zij ziet hem werken en zegt: "De vloer van het huis is te klein. Het zal straks omvallen." De jongen stoort zich daaraan niet en bouwt verder. Plotseling valt de toren om en hij bezeert zich aan de stenen. Hij springt op en gooit boos een steen weg. Daarop maakt hij aanstalten om naar zijn moeder te lopen om zich door haar te laten troosten en beklagen. Maar deze kijkt niet van haar boek op en doet alsof er niets bijzonders is gebeurd. De jongen probeert nog door schreien haar aandacht te trekken, maar als zij ook daarop niet reageert, gaat hij stil en peinzend op de grond zitten en doet een poosje in 't geheel niets. Totdat hij weer langzaam naar de plaats des onheil terugkruipt en van voren af aan, nu met een bredere basis, aan zijn huis gaat bouwen.
Indien de moeder door liefdevolle inmenging, de opmerkzaamheid van het kind van de zaak af en naar zichzelf toe had gewend, dan zou het kind tot de slotsom zijn gekomen: "Wanneer mij een ongeluk overkomt, wordt de liefde en toewijding der volwassenen groter." Het zou dan spoedig iedere kleine tegenvaller te baat nemen, om de aandacht van de volwassene in beslag te nemen en hen in zijn dienst te stellen. Door de verstandige terughouding van de moeder werd het kind gedwongen om zelf met de zaak in het reine te komen door zich af te vragen: "Hoe leg ik het aan, dat mij zoiets niet weer gebeurt?" En het probeerde opnieuw, bleef actief en was een ervaring rijker geworden.
Even onjuist zou het van de moeder geweest zijn, als zij het kind zijn fout of zijn onhandigheid verweten had. Door zich aldus boven het kind te stellen, zou zij hem ontmoedigd en zijn initiatief voor verdere proefnemingen verlamd hebben.
Iedere inmenging van een autoriteit zou in de gegeven omstandigheden storend en remmend gewerkt hebben op het kind, dat uit de directe aanraking met de materiële buitenwereld zich zijn zekerheid ten opzichte van het leven moet veroveren, zijn zintuigen moet ontwikkelen en deze tot een steeds beter begrijpen der omgeving moet leren aanwenden.

Tweeërlei is daarvoor nodig: geschikte opvoeders en een juiste omgeving.

Wat is nu een "geschikte" opvoeder?

Iemand die vrij is van de wens naar superioriteit of macht, vrij van vooroordelen en waarderingen, vrij van de bedoeling te "helpen". Maar in staat om op het leven en dus op het kind te reageren en het kind met zijn problemen even ernstig te nemen als zichzelf. Kortom een mens, die zich door voortdurende arbeid aan zich zelf levend heeft gehouden en steeds tot verder leren bereid is.

En wat is de juiste omgeving?

In de eerste plaats omgang met andere kinderen, in plaats van uitsluitend met volwassenen. Verder eenvoudige, doelmatige dingen, welk nut en betekenis het kind kan begrijpen, welke het gemakkelijk kan leren gebruiken en die tevens geschikt zijn om het gaandeweg met het werkelijke leven vertrouwd te maken.

Een der vruchtbaarste pedagogen van onze tijd, Dr. Maria Montessori, heeft ons reeds een goed eind op weg gebracht om het kind te leren van zijn bewegingsdrang een doelmatig gebruik te maken. Daartoe schiep zij een "speelmateriaal", dat in staat is om aan het kind, wanneer het er zelfstandig mede omgaat, de elementaire eigenschappen en grootheden van het dagelijkse leven kenbaar te maken, terwijl het deze niet kan overzien, zolang ze hem, chaotisch dooreengemengd, in de wereld der volwassenen tegemoet treden. Verschillen in kleur, afmeting, gewicht, grondstof, klank, die in het dagelijkse leven op een gecompliceerde wijze aaneengeschakeld zijn, zijn hier afzonderlijk naast elkaar geplaatst. In de vorm wan houtblokjes van verschillende grootte, kleurtabellen, kastjes met gewichten, stoffen van allerlei soort en klokjes van verschillende toonhoogte, zijn deze elementaire eigenschappen gemakkelijk te herkennen. Eenmaal met deze verschillen vertrouwd, leert het kind ze zonder moeite ook in zijn dagelijkse omgeving te onderscheiden en zich zodoende steeds beter te oriënteren. De leermiddelen worden het kind slechts één keer en op een bepaalde manier getoond, omdat alleen dan de moed behouden blijft, wanneer het kind door eigen activiteit, door zelfstandig omgaan met het materiaal tot verdere ontwikkeling van zijn zintuigen geprikkeld wordt.
Tegen deze methode kan in het midden worden gebracht, dat het slechts aan welgestelde ouders mogelijk is het kind deze omgeving en dit materiaal te verschaffen. Ja, maar hierom gaat het niet in de eerste plaats. Hoofdzaak is de gedachtegang, die in deze methode verwerkelijkt is en aanschouwelijk gemaakt wordt, te begrijpen en toe te passen: Het kind zonder het afhankelijk te maken van de veranderlijke waardering der volwassenen, door zelfstandig oordeel en zelf handelen tot zakelijk inzicht in de verhoudingen van het dagelijkse leven en van de gemeenschap op te voeden.
En deze gedachtegang kan, onafhankelijk van de materiële omstandigheden, ook in het dagelijkse leven de ouders en opvoeders doordringen en hun houding tegenover het kind bepalen. Dan zou men in veel groter mate dan tot nu toe geschiedt, het kind aan het gezinsleven een actief aandeel doen nemen en het daarin plichten opleggen, die hem het besef zouden geven een noodzakelijk en werkzaam deel van de kleine gemeenschap te zijn.
In onze welgestelde kringen wordt in plaats daarvan de scheiding: hier de volwassenen, daar de kinderen, de kloof tussen beiden vergroot en de onvermijdelijke voorsprong van de groten nog als extra hulpmiddel benut om het kind aan de teugel te kunnen leiden. Waarheen? In gevoelens van minderwaardigheid en zwakte, in moedeloosheid, onzelfstandigheid en een hopeloze levensangst, of in koppigheid, weerspannigheid en meer-waardigheids-idealen.
Steeds echter aan de eigenlijke werkelijkheid voorbij, gericht op fictieve, onbereikbare en onwaarachtige doeleinden.
Een goede opvoeder zal de taak van het kind in het leven even ernstig nemen als zijn eigen en zich ertoe bepalen het kind de mogelijkheid te verschaffen zelfstandig ervaringen op te doen, om daardoor zijn eigenschappen tot volle ontwikkeling te kunnen brengen. Want in de goede voorbereiding ligt reeds de juiste oplossing van de latere levensvraagstukken in beginsel besloten. Hoe vroeger een kind zich zelf kan bedienen en de handelingen van het dagelijkse leven zelfstandig kan verrichten, hoe minder het zich afhankelijk van de "almacht" van de volwassenen voelt, des te meer moed, activiteit en zelfvertrouwen zal het hebben en des te gemakkelijker zal het leren zich in de gemeenschap en haar wetten thuis te voelen.

Want alleen waar een druk uitgeoefend wordt, ontstaat tegendruk en oppositie. Groeit het kind op in een wereld van volwassenen, die in zijn oog alles kunnen, alles weten en alles beheersen, dan is het opkomen van een gevoel van zwakte en minderwaardigheid het vanzelfsprekende gevolg. Het kind vergelijkt en komt tot de slotsom: "Ik ben zwak, klein, onzeker, afhankelijk; de anderen zijn groot, sterk, zeker en overmachtig. Hoe meer de volwassenen zich op hun rijkere ervaring laten voorstaan en deze als autoritair machtsmiddel tegen het kind benutten, des te meer zal het minderwaardigheidsgevoel van het kind toenemen. Daar echter ieder mens primair zich ten doel stelt een bevredigende positie ten opzichte van zijn omgeving in te nemen, moet ook het zich zwak-voelende kind middelen zoeken, om zich niettemin te handhaven en te doen gelden. Want wanneer het zich doen gelden in gevaar gebracht wordt, stijgt de behoefte ernaar. Het persoonlijkheidsgevoel wordt kunstmatig gewekt en opgezweept.
Het doel is dan niet meer aanpassing en aansluiting, maar strijd om erkenning en macht. Alle "kinderdeugden", maar ook alle "kinderondeugden" worden door deze doelstelling bepaald. Het kind moet zich door strijd en triomf ervoor schadeloos stellen, dat de volwassenen hem de harmonische aansluiting aan de gemeenschap onmogelijk gemaakt hebben.
Wij allen kennen de pogingen van de kinderen om de omgeving tot onderwerping te brengen. Dat geschiedt bewust en openlijk door vleierij, schalksheid, aanhaligheid en het geschiedt onbewust en bedekt met behulp van angst, verkeerde gewoonten en ziekten of door overdreven afhankelijkheid, kortom door een gehele reeks van onbewust gearrangeerde maatregelen en kunstgrepen, welke de omgeving kunnen bezighouden, angst inboezemen of tiranniseren. De derde weg is de openlijke strijd: koppigheid, weerspannigheid, kwaadwilligheid, wreedheid, koude onverschilligheid: in één woord de openlijke vijandschap.


"Moeilijke" kinderen

a.   Verwende en gehoorzame kinderen.
Daar wij in het individualpsychologische consultatiebureau bijna uitsluitend met kinderen te doen hebben, voor wie de weg tot aanpassing reeds vroeg is afgesneden, bestaat onze taak in de eerste plaats daarin, de gemaakte fouten bloot te leggen, te corrigeren en voor het kind de toegang tot de gemeenschap open te stellen.

Om dat te kunnen, moeten wij het kind begrijpen, want wij kunnen alleen dan iemand beïnvloeden, wanneer wij de oorzaken van zijn zielstoestand kennen.

Wij willen thans de drie genoemde, meest voorkomende typen, het verwende, het gehoorzame en het agressieve kind, nauwkeuriger beschrijven.

Het eerstgenoemde type van kinderen verkeert tegenover het leven in hetzelfde gevaar als het tweede. Liefkozingen en vleierij stemmen de opvoeder zacht en toegevend en brengen hem in de verleiding het kind met gemakkelijk bereikbare successen een goedkope bevrediging te verschaffen. Zodoende worden de kinderlijke wensen direct vervuld, in plaats dat deze tot doelmatige handelingen en culturele prestaties de aanstoot geven. Een van de opgaven der opvoeding is echter, het kind de fundamenten der menselijke samenleving kenbaar te maken en het in staat te stellen een drager van en medewerker aan de wordende cultuur te worden. Daarbij is het aan de tact van de opvoeder overgelaten, de sterkte van de weerstand, die tussen de kinderlijke wens en zijn vervulling moet worden ingeschakeld, af te meten en te bepalen. Dat wil zeggen: wat van het kind gevergd wordt, moet aan zijn krachten evenredig zijn. Wordt de weerstand te groot gekozen, dan volgt een mislukking, die ontmoedigt en de ondernemingslust van het kind beknot; wordt deze weerstand te klein toegemeten, dan went het kind aan gemakkelijk te behalen successen, goedkope triomfen en schiet het later tekort, wanneer werkelijke problemen en moeilijkheden moeten worden opgelost. Het is dan slecht voorbereid.

Het lot van het vertroetelde kind, van wie men nooit een zelfstandige handeling verlangd heeft en dat altijd bediend werd, is, dat het tekort zal schieten, wanneer het zich te eniger tijd tegenover nieuwe eisen van het leven geplaatst ziet. Bijvoorbeeld bij plotselinge sterfgevallen, financiële verliezen, milieu- of schoolwisseling of bij de geboorte van een broertje of zusje.

Eén voorbeeld uit vele moge aantonen, hoe zulk een slecht voorbereid kind door ongewone nederlagen wordt ontmoedigd, hoe het de vlucht neemt voor het leven en nu allerlei schijnmiddelen aanwendt, om zijn persoonlijkheidsgevoel te redden.

Het meisje waar het hierom gaat, wij zullen haar Truida noemen, was 17 jaar toen het wegens een depressie met angsttoestanden en zelfmoordgedachten, lichamelijke moeheid, chronische keelontsteking en gehele ongeschiktheid tot werken, in behandeling kwam. Truida had de school doorlopen en zou een betrekking aanvaarden. Aan deze onaangename noodzakelijkheid onttrok zij zich door de verergering van haar depressie en haar angsten, die haar reeds sinds haar negende jaar geplaagd hadden. Vóór die tijd was zij de jongste van drie kinderen, een zes jaar ouderen broeder en een vier jaar oudere zuster. Zij gold voor bijzonder mooi en teer en was het prinsesje in huis. Een overgevoeligheid der spijsverteringsorganen was de aanleiding tot veelvuldig ziekzijn, waardoor het kind reeds vroeg tot de ervaring kwam, dat er niets beters bestond dan in bed te liggen en zich te laten verzorgen. Daarbij had men haar geleerd om de zeer nerveuze, zelf altijd sukkelende moeder te liefkozen en te vleien. De moeder beantwoordde dit door een kritiekloze overschatting van Truida's schoonheid, verstand en muzikale begaafdheid, en door haar tot een wonderkind te stempelen. Overal ging haar de, door de moeder gevestigde, roep vooruit, dat zij een klein genie was, aan wie alles zonder moeite in de schoot viel. Inderdaad ging het op school eerst schitterend. Zij leerde, zoals ieder kind dat nog niet ontmoedigd is, heel gemakkelijk, was algemeen bemind en danste stralend door het leven. In haar meerwaardigheidsgevoel werd zij verder gesteund door de manier waarop de moeder haar met de oudere zuster vergeleek, die voor lelijker, langzamer, minder muzikaal en minder begaafd doorging en die bovendien aan deze overschatting bijdroeg door het jongere zusje op de handen te dragen en te bewonderen. Toen Truida negen jaar was, kwam een broertje - te vroeg - ter wereld, dat. om in het leven gehouden te worden, alle zorgen en toewijding van de moeder in beslag nam. Truida moest toen de bittere ervaring opdoen, dat een ander wezen een nog belangrijker plaats innam dan zijzelf. Zij voelde zich achteruitgezet en verwaarloosd, begon te pruilen en te jammeren, werd ontevreden en verdrietig. Zij zag overal moeilijkheden, die zij niet kon overwinnen en die tevens de moeder moesten dwingen haar evenals vroeger te helpen en te steunen.
Deze echter stond radeloos tegenover deze verandering in het kind, zij verweet haar haar veel-eisendheid, legde de nadruk op haar eigen vermeerderde zorgen en plichten, werd nerveus en wispelturig, viel ongeduldig tegen Truida uit en beklaagde zich ook tegenover anderen over haar gedrag. Gedaan was het met de prinsessenrol, met de algemene bewondering en, wat nog het ergste was, de oudere zuster won in aanzien, omdat ze flink aanpakte en met gezond verstand en overleg begreep waar en wat er te doen viel.
Zo bleef de kleine niets anders over dan een toevlucht in de ziekte te zoeken, zoals zij het door haar ingewandsstoornissen geleerd had, en op deze wijze werd uit het "wonderkind" een "zorgenkind". Zij kreeg 's nachts angsttoestanden, die de moeder aan haar bed riepen en vasthielden, en er volgde een reeks van lichamelijke ziekten, die zich jarenlang voortsleepten en de ouders voortdurend in zorg en spanning hielden.
Het resultaat was, dat men niets van haar eisen mocht, want onder de gegeven omstandigheden was iedere prestatie een geschenk, een edele daad, een wonder. Verder dwong zij op deze manier haar omgeving haar als vroeger te dienen, zich door haar te laten beheersen en zich op haar als middelpunt van het huisgezin te concentreren. En ten slotte had zij een bruikbaar middel in de hand om alle plichten des levens uit de weg te gaan, zonder dat haar persoonlijkheidsgevoel daaronder behoefde te lijden; want de ziekte was een verontschuldiging voor alles.

Ook op school veranderde haar positie. Al het uit het hoofd leren ging ook verder spelenderwijze; zodra het echter op zelfstandig denken aankwam schoot zij tekort en haar onderwijzeressen klaagden dikwijls, dat zij "niet nakwam, wat zij als klein kind beloofde". Het stralende prinsesje ontpopte zich als een zwaar ontmoedigd, ziek mensenkind, dat geen stap zelfstandig durfde te doen en dat zich zelf voor een ongeluksvogel hield, die er nu eenmaal toe veroordeeld was, altijd op kosten en met hulp van anderen te leven. Toen door de oorlog de veranderde geldelijke omstandigheden het ook nog nodig maakten, dat de kinderen een beroep kozen, kwam de gehele ineenstorting, waardoor Truida in geneeskundige behandeling kwam.

Op de lijn van de passieve weerstand tegen het leven bewegen zich ook de overdreven brave, gehoorzame kinderen. Door gehoorzaamheid dwingen zij hun omgeving tot bewondering en erkenning, maar zij hebben daarbij hun eigen verantwoordelijkheidsgevoel volkomen laten varen om zich geheel door te sterken, de volwassenen op sleeptouw te laten nemen. Dat zich echter ook in deze kinderen een strijd om zich te doen gelden afspeelt en zij onder de mantel van onderworpen braafheid toch een geheim protest tegen hun onderdrukkers verbergen, verraadt zich in sommige situaties, maar vooral in het latere leven, dat een actief standpunt van hen verlangt.

Een klein voorval ter illustratie: Twee broertjes spelen samen. De moeder zit er bij en naait aan een zijden japon. Zij gaat even weg om iets te halen. De jongste van de twee neemt nu de schaar en begint in de stof te knippen. De oudere kijkt bedaard en met leedvermaak toe. De moeder komt binnen, ziet wat er gebeurd is en verwijt de oudste: "Waarom heb je hem de schaar niet afgenomen, domme jongen?"
"Moeder, u hebt mij toch verboden om van broertje iets af te nemen!" antwoordt hij onder tranen.
Deze beide jongens hadden heerszuchtige ouders, tegen wie zich de oudste door onderworpenheid en gehoorzaamheid, de jongere door onbuigzaamheid, trots en ongehoorzaamheid trachtte te handhaven.
De al te gehoorzame, passieve kinderen lijden dikwijls wanneer zij voor het eerst op school komen de eerste nederlaag, want daar wordt plotseling van hen verlangd, wat jarenlang in hen is onderdrukt: zelfstandig handelen en denken, verantwoordelijkheidsgevoel en het samenwerken in gemeenschap. Het is duidelijk, dat het al te volgzame kind aan deze eisen niet kan voldoen. Wat hem thuis waardering en lof deed oogsten, zijn slaafse gehoorzaamheid, zijn angstvallige na-aperij van de volwassenen, brengt hem hier de nederlaag. Wat er gevraagd wordt, doet hij aarzelend en met tegenzin en het gevolg is, dat hij het slechter doet, achter blijft bij de anderen, gehoond en bespot wordt. En door iedere mislukking wordt de moedeloosheid groter. Des te sterker echter wordt het verlangen, ook elders dezelfde erkenning als thuis te verkrijgen en de verborgen eerzucht, die zich bij het gehoorzame kind tot nu toe alleen door zijn overgevoeligheid voor afkeuringen en verwijten verraden heeft, treedt nu duidelijk aan de dag. Het kind probeert zijn uitwijken voor de hem gestelde eisen zulk een vorm te geven, dat zijn gevoel van zwakte daarbij verborgen blijft en zijn gedrag de schijn van moed verwekt. Hij sluit zich bijvoorbeeld aan bij slimme, sterkere, straatjongensachtige kameraadjes, stelt zich in hun dienst en doet gehoorzaam wat zij van hem verlangen. Zelf wordt hij een grootspreker, beroemt zich op zijn heldendaden, overdrijft ze, verzint er nieuwe bij en wordt zo niet zelden een leugenaar.
Deze leugens hebben aanvankelijk slechts die betekenis, dat zij een wereld van fantasie scheppen, waarin zich voor het kind alles vervult, wat hem in werkelijkheid onthouden blijft. Daar is hij de sterke, de aanvoerder en is hij tevens buiten gevaar door de ruwe werkelijkheid van de troon gestoten te worden.
Kinderen, die uitsluitend in de verbeelding leven, zijn ontmoedigd en wijken voor de werkelijkheid uit, leven er aan voorbij, zij moeten zich hun wereld dromen, omdat zij haar niet durven te beleven. In deze gedroomde wereld houden zij zelf de teugels in de hand, alles loopt daar zoals zij het willen en zelfs de logische samenhang der dingen is aan hun wil onderworpen. Zodoende onttrekken zij zich aan de onverbiddelijke wet, die zegt, dat alleen een werkelijke prestatie een werkelijk succes tengevolge heeft.
Maar het liegen heeft, behalve de betekenis van het ontvluchten der werkelijkheid, nog een tweede en derde zijde. Naast de noodleugen, die een bepaald gevaar uit de weg wil gaan of een voordeel tracht te bereiken, treedt bij kinderen dikwijls leugenachtigheid op, zonder dat men terstond betekenis en oorzaak ervoor kan aanwijzen. Ja, dikwijls schijnt het alsof er alleen nadeel aan verbonden is. Ik denk daarbij bijvoorbeeld aan een kleine jongen, die principieel onwaarheid vertelde als men hem vroeg waar hij vandaan kwam of naar toe ging.
Deze soort van leugens hebben vooral ten doel alles te bemantelen, wat met de eigen persoon samenhangt, alle sporen zoveel mogelijk uit te wissen om de ondervrager (vervolger) te ontwijken. Daarin komt enerzijds de angst tot uiting, dat het eigen zwakte- en onzekerheidsgevoel doorzien zou kunnen worden, anderzijds het gevoel van Voldoening, dat het gelukt de groten om de tuin te leiden en voor hun kritische ogen ondoorgrondelijk te zijn.

De weg van leugen tot diefstal is niet ver. Ook hier gaat het om een meer-willen-zijn en een meerwillen-hebben, dan door de eigen prestatie, die nu door list vervangen wordt, bereikbaar is. De wraak tegen de gemeenschap, die als onderdrukker gevoeld wordt, ontheft daarbij van alle verantwoordelijkheidsgevoel. In de diefstal ligt o.a. altijd een verachting voor het "mijn en dijn", voor het "ik en gij", de vijandschap tegen de gemeenschap. Dat wordt bijvoorbeeld daardoor aangetoond, dat de kinderlijke diefstallen en leugens dikwijls alleen in het huisgezin voorkomen en diezelfde kinderen op school eerlijk zijn, of omgekeerd. Zoekt men naar de oorzaken, dan blijkt steeds, dat de kinderen hun ondeugden daar bedrijven, waar hen de meeste nederlagen en de grootste achteruitzetting dreigen. Is een kind eenmaal op weg zijn geprikkelde eerzucht door liegen en stelen te bevredigen, dan bevindt hij zich tevens op het hellend vlak naar verwaarlozing en misdaad, want noch het gezin, noch de school voert tegenover deze bedreigde kinderen de juiste tactiek. Op ontdekte leugens en diefstallen volgen verwijten, straffen en zelfs de uitsluiting van de gemeenschap, en dit alles geeft nieuwe ontmoediging en nieuwen wrok, die het contact van het kind met de omgeving eerst recht bemoeilijken of zelfs onmogelijk maken en waardoor de vijandige houding van de gebrandmerkte nog verergert. Omdat hij zich minderwaardig en uitgestoten heeft gevoeld, is hij op een zijweg geraakt en omdat hij zich op die zijweg zo goed mogelijk te weer stelt, wordt hij uitgestoten.

De duivelskring is gesloten. Te verbreken is hij slechts, wanneer ouders, opvoeders en onderwijzers tegenover het kind een geheel andere houding aannemen, die daarop berust, dat zij de samenhang van oorzaak en gevolg in dit proces begrijpen.

Later, in het praktische deel, zal ik daarop nog terug komen.

b. Het agressieve kind.

Minder gemakkelijk zal men er toe komen om bij het tegenovergestelde type, de asociale kinderen met verhoogde agressiviteit, de oorsprong van de slechte gewoonten in gevoelens van minderwaardigheid en ontmoediging te zoeken.

Het zijn de wrede, weerspannige, ongenaakbare kinderen, die hun omgeving kwellen, aanvallen en bestrijden, waar zij slechts kunnen. Hun aanvallende houding, hun overwinnaarswil, zoals Adler ergens zegt, is de laatste vonk van moed, die hun is overgebleven, die echter, verbonden met een sterk gevoel van achteruitzetting, slechts de moed tot "neen" genoemd kan worden.

Door strenge, harde en liefdeloze behandeling, door het voorbeeld van elkaar vijandige ouders, door achterstelling bij zusjes of broertjes, door lichamelijke afwijkingen of andere ontmoedigende ervaringen, hebben zij zich een pessimistisch gefleurd wereldbeeld gevormd, dat hun alleen schaduw- maar geen lichtzijden biedt. Zij bevinden zich in een voortdurend verweer tegen het leven, waartegen zij, gedwongen door hun minderwaardigheidsgevoel, een felle vijandschap gevoelen. Deze vijandschap is de beschutting, het schild, waarachter het gevoel van zwakte zich tracht te verbergen.

Ik denk hier aan een jongen, die op het consultatiebureau gebracht werd. Hij had blauwe plekken in het gezicht en een buil op zijn hoofd, die afkomstig waren van stokslagen, die de onderwijzer hem had toegediend, omdat hij gestolen en kleinere kinderen mishandeld had.

De vader vertelde op mijn vragen het volgende: "Hij is de jongste van drie kinderen uit mijn eerste huwelijk. Ik ben sinds drie jaar van mijn vrouw gescheiden, nadat ik te weten was gekomen, dat zij mij al negen jaar lang bedrogen had en een liederlijk leven leidde. Dat zij dikwijls dronk, wist ik. Ik twijfelde er nu sterk aan, of hét kind werkelijk wel van mij was, en ik geloof ook nu nog dikwijls, dat het van een andere man stamt, want het aardt geheel naar de moeder en heeft een echte misdadigers-aanleg. Wij zijn natuurlijk tegen de jongen bijzonder streng opgetreden, om hem van zijn slechte neigingen af te brengen. Twee jaar geleden ben ik weer getrouwd en heb ook aan mijn tweede vrouw, die zeer goed voor kinderen is, gezegd, dat in de jongen een misdadiger schuilt en dat zij hem streng moet behandelen." Er bleef haar ook geen andere keus, want het kind was weerspannig en koppig, deed liefst het tegendeel van hetgeen men van hem verlangde, plaagde zijn broertje, nam hun speelgoed en lekkernijen weg en was in één woord onuitstaanbaar. De jongen was daarbij bijzonder verstandig en uitgeslapen, kon het tijdstip dat hij naar school zou gaan nauwelijks afwachten en had zichzelf reeds voor die tijd lezen geleerd. Het liefst hield hij zich met boeken bezig. Natuurlijk las hij alleen rovergeschiedenissen, die hij dan imiteerde. Eerst ging op school alles goed, ja de jongen vertoonde zelfs een merkwaardige verandering in zijn wezen. Hij kreeg goede cijfers en was een van de beste van de klasse. Na ongeveer een jaar veranderde dat echter, en hij werd nu vijandiger en wreder dan ooit.
Wat was gebeurd? Hij had een andere onderwijzer gekregen, voor een goede pedagoog was een slechte in de plaats gekomen, die de kinderen voor de geringste overtreding sloeg en de cijfers lager stelde. De eerste onverdiende afstraffing ontmoedigde de jongen zo sterk, dat hij weer in zijn oude koppigheid verviel en de vijandigheid van de onderwijzer met vijandigheid tegenover de mensheid beantwoordde. Nog erger werd het, toen de stiefmoeder eens met de onderwijzer gesproken had en deze in zijn strengheid nog versterkt had, door hem van de erfelijke misdadige aanleg van haar stiefkind op de hoogte, te stellen. Hij werd van toen af de zondebok in de klas. Zijn werk werd slechter en zijn vertwijfelde afweer tegen de, op duivelachtige wijze tegen hem samenspannende wereld, nam steeds grotere afmetingen aan. Hij stond bij klein en groot als een bruut bekend en ging de weg, die men hem met geweld opdrong: de weg naar het misdadigersleven.

Gelukkig kon ter rechter tijd door het opvoedkundig consultatiebureau worden ingegrepen. De jongen werd op een andere school gedaan en de ouders het verkeerde van hun houding onder het oog gebracht, door hen in te lichten over de ware oorzaken van de ondeugden van het kind: diepe ontmoediging en pessimisme tegenover het leven, dat hem overal slechts in vijandschap tegemoet getreden was. Het kind zelf werd door vriendelijk begrijpen bemoedigd en in zijn zelfvertrouwen gesteund; de onderwijzer in de psychologische samenhang ingewijd en van de juiste behandeling op de hoogte gebracht. Zo was de knaap op de nieuwe school spoedig weer een goede leerling, waardoor hij de achting van zijn kameraden veroverde, wat nog meer tot zijn bemoediging bij droeg. Van dat ogenblik af had hij weer de weg naar de gemeenschap betreden en schreed langzaam maar zeker daarop voorwaarts.


PRAKTISCH GEDEELTE

Opvoedkundige Raadgeving

Alle bovengenoemde typen van kinderen hebben dit met elkaar gemeen, dat zij zich zwak, tekortgedaan en ontevreden voelen. Waaruit voor allen weer hetzelfde volgt: onvoldoende verantwoordelijkheids- en gemeenschapsgevoel, onverdraagzaamheid, egocentriciteit en het ontwijken van de plichten des levens, verbonden met de poging zich boven de anderen te verheffen, meer te zijn dan alle anderen, kortom de houding van de asociale mens.

Het is de taak van de individualpsychologische raadgever, de hier bestaande samenhang van oorzaak en gevolg te belichten en de onjuiste inzichten te verbeteren.

De oorzaak bestaat altijd in een verkeerd standpunt van het kind ten opzichte van het leven, dat het zich als bijzonder moeilijk en ten opzichte van zijn eigen kunnen, dat het zich als bijzonder gering voorstelt. Al zijn fouten zijn de gevolgen van deze houding; het zijn mislukte pogingen om door kortsluiting de spanning te boven te komen, die tussen het vermeende niet-kunnen en de onontkoombare eisen van het leven ontstaat.

De "Vereniging voor Individualpsychologie" heeft een gehele reeks van vragen uitgewerkt, die moeten dienen de samenhang der feiten op het spoor te komen, de kinderlijke richtlijn te ontdekken, de graad van ontmoediging vast te stellen en de rest van gemeenschapsgevoel op te sporen, om aan deze laatste een bemoediging en een genezing vast te knopen.

Wanneer wij de omstandigheden en de doelstellingen van een mens kennen, dan wordt zijn handelen, zijn levensplan voor ons begrijpelijk.

Bij het asociale kind moeten zowel de omstandigheden als de doelstelling gewijzigd worden. Een onderzoek naar het huiselijke milieu en de plaats, die het kind daar inneemt, geeft ons een inzicht in zijn omstandigheden. Zijn houding tegenover de omgeving, zijn fantasieën, dag- en nachtdromen en zijn beroepsplannen lichten ons in over de graad van zijn moed en over de richting van zijn levensplan.

Uit dit alles vormt zich voor ons het beeld der persoonlijkheid, waaruit de misslagen verklaarbaar zijn.

Er wordt dan beproefd om door een vriendschappelijk gesprek met het kind zijn dwalingen aan het licht te brengen en zijn fouten recht te zetten. Vooral echter wordt getracht invloed op de ouders en opvoeders te verkrijgen en deze een andere houding tegenover de fouten van het kind te doen innemen.

Bij deze gesprekken treedt het strafprobleem meestal op de voorgrond. Er wordt ons dan altijd de vraag voorgelegd: "Wat moeten wij dan doen, als wij niet mogen straffen?" "De kinderen moeten toch goed worden opgevoed!"

Laat ons aan een paar voorbeelden zien of de straf werkelijk tot dat doel voert, of dat ze beter door andere pedagogische maatregelen vervangen zou kunnen worden.

De kleine Günther, een vierjarig, tenger ventje, enig kind van een zeer eerzuchtige vader en een egoïstische moeder, is zeer afgezonderd opgevoed. Hij behoort tot de schuchtere, volgzame kinderen, die hunne omgeving echter zo af en toe door een onbegrijpelijke aanval van koppigheid of woede verrassen. De volgende gebeurtenis speelt in de herinnering van het kind een grote rol.

Hij is jarig, zijn moeder heeft voor zijn plezier kinderen uitgenodigd. Er zullen zangspelletjes gedaan worden. Günther staat met een ongelukkig gezicht tegen de muur en wil niet meedoen. De moeder voelt zich gekrenkt. Zij zegt: "Voor jouw plezier zijn de kinderen gevraagd, nu moet je ook met ze spelen. Wat zullen ze wel van je denken als je zo bokkig bent. Let maar eens op, hoe ze allemaal naar je kijken! Straks zullen ze je uitlachen!" Een stroom van ontmoedigende woorden wordt over de kleine uitgestort en het wordt hem steeds moeilijker gemaakt om zijn teruggetrokken houding te verlaten en zijn gevoel van angst tegenover de andere kinderen te overwinnen.

Eindelijk pakt de moeder hem bij de pols en wil hem met geweid bij de kinderen brengen. Dan trapt en slaat hij om zich heen in vertwijfelde woede. Hij krijgt een pak slaag en wordt in bed gestopt. "Wat lelijk van je, dat je mij al het plezier bederft, dat ik je wilde aandoen. Deze straf zal je leren een volgende keer te gehoorzamen!" zegt de moeder en verontwaardigd gaat zij heen. - Zij meent werkelijk door slaag en isolement het kind aan het verstand te hebben gebracht, dat men zich moet leren schikken.

De miskenning van de situatie is duidelijk. De moeder ziet niet de ware oorzaak van de "bokkigheid", die op de moedeloosheid van de knaap berust. Hij durfde niet mede te doen, omdat hij zich tegen de anderen niet opgewassen voelde en vreesde zich te blameren. Door de woorden van de moeder werd zijn schaamte nog vergroot, door de slagen zijn gevoel van zwakte versterkt, door hem in bed te stoppen de kloof tussen hem en de gemeenschap verbreed.

Alle straffen, die het kind vereenzamen, zijn gevaarlijk en daarom te verwerpen. De meeste ondeugden betekenen reeds, dat het kind zich geïsoleerd voelt, d.w.z. niet in de gemeenschap wortelt, niet als actief lid in de samenhang van het gebeuren medewerkt. Dit gevoel wordt natuurlijk versterkt als men het kind ook nog met geweld buiten de gemeenschap sluit. Men maakt hem daardoor de terugweg onmogelijk, hij zondert zich af en omgeeft zich nu zijnerzijds met een onwrikbare muur, waartegen de buitenwereld het hoofd moet stoten.

In dit geval zou het juister geweest zijn voor het kind, dat tot nog toe niet gewend was met andere kinderen te spelen, eerst eens één gast uit te nodigen en dan met een spelletje te beginnen, dat de belangstelling van de kinderen kon wekken en op hun krachten berekend was. De moed had dan door het spel zelf kunnen groeien en de gemeenschappelijke bezigheid zou de kinderen tot elkaar hebben gebracht. Zo zou het mogelijk geweest zijn een brug te bouwen, waarop het geïsoleerde kind de stap tot de gemeenschap had kunnen ondernemen.

Een geliefde straf, die helaas dikwijls wordt toegepast waar vele kinderen samen zijn, en die ook in dit geval zijn storende uitwerking getoond had, is het "blameren" voor andere kinderen door onderwijzer of opvoeder. Openlijke blamage is het meest ontmoedigende, wat men een kind kan aandoen, tegelijk echter ook voor de toeziende kameraadjes buitengewoon nadelig. Bijna alle kinderen hebben, als reactie op hun eigen zwaktegevoel, de behoefte hun heerszucht en hun verlangen naar superioriteit op de zwakkeren bot te vieren. Aan deze verkeerde neigingen komt men slecht tegemoet, indien men hun een kind, dat door openlijke vernedering tot een zwart schaap is gestempeld, uitlevert; terwijl men het voor het kind bovendien volslagen onmogelijk maakt tegen de gesloten falanx van vijanden de weg naar de gemeenschap te vinden.

Zulke telkens geblameerde en uitgesloten kinderen zoeken in hun nood dan meestal door koppige weerstand tegen alle eisen van de gemeenschap, door kwaadaardigheid of vernielzucht, wraak te nemen voor de ondergane wreedheden.

De ouderen tonen zij dikwijls een deemoedige gehoorzaamheid, terwijl zij voor hun makkers ware kwelgeesten zijn.

Een ander voorbeeld moge dienen om ons te laten zien, hoe men zich kan vergissen, als men meent een kind door straf van herhaling van zijn euveldaden te kunnen afhouden.

De kleine Anna is reeds vier jaar en maakt zich 's nachts nog altijd nat. Er wordt een gouvernante gezocht, die in staat is haar dat af te wennen. Het moet een energieke vrouw zijn. Men vindt er ook een, die belooft het kind binnen vier weken zindelijkheid te leren, want zij heeft iets dergelijks al meer bij de hand gehad. En nu begint haar opvoedingstactiek. Eerst dreigt zij met de "zwarte man", die het kind zal halen als het bedje weer nat is. Als dat niet helpt, ontzegt zij haar alle lekkernijen en ten slotte gaat zij, uit vrees dat haar eerzuchtige belofte zich niet zal vervullen, tot lichaamsstraf over. Daardoor blijft het bedwateren nu weliswaar een paar dagen uit, maar het kind moet in plaats daarvan voor angst- en krampaanvallen in geneeskundige behandeling komen.
Het gehele gedrag van het kind was slechts de uitdrukking van het feit, dat zij zich verweerde tegen het voortdurende toezicht en de kleingeestige vitterijen van de moeder, die het kind geen stap zelfstandig liet doen. De koppige oppositie tegen de te sterken druk van de volwassenen, die zich door het bedwateren uitte, was gebroken; maar daarvoor in de plaats was de passieve weerstand gekomen, namelijk de angst.

Bij kinderen, die ziekteverschijnselen vertonen, is het verkeerd de afzonderlijke symptomen te behandelen, erger nog ze te bestraffen. Daar de verschijnselen slechts de concrete uitdrukking zijn voor de gehele levenshouding van het kind, welke wij als een antwoord, een reactie op zijn omgeving beschouwen, zo is de enige manier om hem te helpen, deze levenshouding als uitgangspunt te nemen. In al dergelijke gevallen moet men zich tot taak stellen, enerzijds de fouten in het milieu zo veel mogelijk te verhelpen, door te trachten de ouders de oorsprong van de moeilijkheden duidelijk te maken; anderzijds het kind te bemoedigen, door het te laten voelen, dat alle mensen hun moeilijkheden hebben, dat ook de ouders niet onfeilbaar zijn en dat men door liefde, inschikkelijkheid en tegemoetkomendheid het samenleven kan vergemakkelijken.

Enige tijd geleden komt een moeder radeloos mijn hulp inroepen. Zij heeft twee zoontjes, van vijf en drie jaar. De oudste, Frits, is zeer jaloers op de kleinste, Peter. Frits is een sterke, gezonde jongen, terwijl de ander teer is en verschijnselen van Engelse ziekte vertoont. Waar hij kan, plaagt Frits de kleine Peter. Hij pakt hem telkens zijn speelgoed af, slaat en bijt hem, gooit hem ondersteboven enz. De moeder vertelt ook, dat de oudste de ander direct na zijn geboorte weer uit de wereld wilde helpen. Ten slotte meende de moeder de agressiviteit van het oudere kind te moeten tegengaan door hem te slaan, als hij de kleine kwaad deed, "om hem de gerechtigheid van de wereld te laten voelen". Maar het resultaat was negatief. Hoe strenger men hem strafte, des te erger werd zijn gedrag. Ten slotte keerde zijn ondeugendheid zich ook tegen volwassenen en tegen andere kinderen.

Hier had de ervaring de moeder reeds geleerd, dat het doel van de straf, de jongen een gevoel der "gerechtigheid" bij te brengen, niet bereikt werd, integendeel: de jongen gedroeg zich zo, als wilde hij zich voor een onrechtvaardige behandeling
wreken. En zo is het ook werkelijk. Achter het ruwe, onwillige uiterlijk verbergt zich een weekhartig, naar liefde hunkerend moederszoontje, dat zich, verwend door de liefkozingen van de ouders, die zich eerst uitsluitend met hem bezighielden, door de geboorte van het broertje achteruitgezet en ontmoedigd voelde, te meer omdat de jongste speciale zorg en verpleging nodig had.

Wij hebben dus ook hier met een ontmoedigd kind te doen. De straf wordt door hem beschouwd als een bewijs te meer voor het tekort aan liefde zijner ouders en
wakkert de haat tegen de kleine, die de schuld van dit alles is, aan, in plaats van hem te doen verdwijnen.        
Hier zou het dus nodig zijn het gevoel van achteruitzetting bij het oudere kind op te heffen, in plaats van het te versterken.

Dat zou bijvoorbeeld daardoor kunnen geschieden, dat men hem plichten en werkzaamheden, tot hulp van de volwassenen liet verrichten, zodat hij zich als noodzakelijk bestanddeel, als een nuttig lid van de huiselijke gemeenschap zou gaan leren beschouwen. Ook tegenover de kleine zou men een zeker gevoel van verantwoordelijkheid kunnen aankweken, doordat men de oudste toont, dat hij in staat is zijn broertje te helpen, wanneer deze iets alleen niet kan klaarspelen. Heeft hij hem echter pijn of verdriet gedaan, dan moet hij ook het zijne er toe doen, om dit weer goed te maken en dus de consequenties van zijn handelingen voelen en leren dragen. Door zulk een handelwijze zal men aan de innerlijke verlangens en behoeften van het kind, dat niets zoo moeilijk verdraagt als te worden buitengesloten, recht laten wedervaren' en het is dan voor hem niet meer nodig tegenover de kleine zijn superioriteit te bewijzen en zich daardoor belangwekkend te maken.

Van de autoriteitsopvoeding uit de vorige eeuw is nog veel in onze tijd blijven voortleven. Het komt niet zelden voor, dat kinderen tot onderworpenheid aan de volwassenen opgevoed worden, alleen omdat de anderen volwassen en zij maar kinderen zijn.

Alsof het volwassen-zijn het voorrecht zou geven onderworpenheid te eisen. Alsof het volwassen-zijn op zichzelf het overbodig zou maken, zó te handelen, dat het kind zich vrijwillig en van harte schikt en aansluit.

Zo maakte ik eens het volgende mee, terwijl wij bij een bevriende familie aan tafel zaten. Plotseling zegt een van de dochtertjes hardop en voor ieder verstaanbaar: "Vader, u hebt gelogen!" Een klinkende oorveeg is het antwoord van de vader. Het kind wordt de kamer uitgestuurd en mag zich pas weer vertonen, als het om vergeving wil vragen voor haar oneerbiedige en brutale aantijging. Niemand vraagt naar de beweegredenen van deze aanklacht. Ik verzocht om met het kind te mogen spreken. Snikkend lag zij met het hoofd in de kussens van haar bedje. Eindelijk slaagde ik erin haar tot spreken te krijgen, nadat ik haar verteld had, dat ik zelf als klein meisje vele oorvegen gekregen had - ook onverdiende - en dat ouders zich ook wel eens kunnen vergissen, want het zijn ook mensen zoals wij. Het kind vertelde mij toen, dat haar vader gezegd had, dat de kinderen door de ooievaar gebracht werden. Maar haar vriendinnetje Annie had een zusje gekregen en dat was uit moeders buik gekomen. Annie wist het heel zeker, dat allé kindertjes uit de buik van hun moeder komen. En Annie heeft nog nooit gejokt, zij is de beste van de klas en weet altijd alles.

Het kind had dus gelijk; de vader had gelogen. Indien het nu toch om vergiffenis moet vragen, d.w.z. erkennen dat haar vader gelijk heeft en zij zelf ongelijk, dan dwingt men het tot het besef dat er in de wereld geen orde, maar wanorde heerst en dat men zich daarvoor tegen beter weten en voelen in moet buigen. Het vertrouwen is verdwenen. Onder schijnbare onderworpenheid verbergt zich twijfel, onzekerheid en angst voor de overmacht der volwassenen. Van een werkelijk zich schikken is geen sprake meer. Het "om-vergeving-moeten-vragen" is trouwens een zinloos gebruik, dat meer dient om aan de gekrenkte ijdelheid en de eigendunk der volwassenen tegemoet te komen, dan om het kind van nut te zijn. Meestal versterkt het slechts het vernederende gevoel van het kind, dat het aan de willekeur der volwassenen is overgeleverd en wordt het een nieuwe prikkel tot verzet, die in ondeugendheid en weerspannigheid tot uiting komt.

Van het kind nederigheid tegenover volwassenen te eisen is verkeerd. De volwassenen moeten zich zo gedragen, dat het kind zich gaarne en vrijwillig door hen laat leiden, indien het daaraan behoefte heeft. Daartoe behoren de volwassenen echter zó te leven en te handelen, dat zij het kind bij zijn taak, zich aan het leven aan te passen, tot voorbeeld kunnen dienen.

Eerste voorwaarde daartoe is, dat de opvoeder zijn ik-gevoel overwonnen heeft en hij er zich voor weet te hoeden om van het kind iets te eisen, wat niet door het belang van het kind weer in zijn eigenbelang gevorderd wordt.

Evenzo is het gesteld, bezien uit het standpunt der volwassenen, met het probleem der "opvoeding tot onvoorwaardelijke gehoorzaamheid". Er zijn volwassenen, die redeloze, zelfs bepaald onzinnige dingen van hun kinderen verlangen, alleen omdat deze moeten leren gehoorzamen. Dus gehoorzamen om wille van de gehoorzaamheid, zonder enige overweging of het bevel voor het kind ook een reden of betekenis "heeft.

Zo zag ik eens een jongen geheel in zijn spel verdiept. Zijn vader voegde hem toe: "Alfred, mars, naar bed!" - "Een ogenblik, vader, mijn huis is bijna klaar", antwoordde de jongen en bouwde haastig verder. Met grote stappen ging de vader op hem af, pakte hem bij het oor en zette hem buiten de deur. "Je hebt niet tegen te spreken, maar te gehoorzamen. De bouwdoos wordt weggesloten, als je er ongehoorzaam door wordt." De knaap was buiten zichzelf. Men had hem plotseling in een, voor hem heel gewichtige bezigheid gestoord en zijn ijverige toewijding zonder enig begrip onderbroken. Ongehoorzaamheid had in 't geheel niet in zijn bedoeling gelegen, hij wilde alleen maar zijn bouwplan afwerken. - Deze knaap is later een erg verstrooid kind geworden, dat bij geen enkele bezigheid volhardde en zich niet kon concentreren. Dit voorval is één uit vele van dergelijke ervaringen van de jongen. En op deze wijze verloor hij de vreugde aan het zakelijk bezig zijn met de dingen en hij wreekte zich daarvoor later, door van zijn kant te staken, toen hij voelde, dat aan zijn onafgebroken en vlijtig leren de vader veel gelegen was.

Even ontmoedigend werkt het op het kind, wanneer men het een taak oplegt, die boven zijn krachten gaat. - Een driejarige jongen speelde met een mozaïekdoosje. Hij vond het prettig de verschillende kleuren netjes gesorteerd naast elkaar te plaatsen. Maar de juffrouw wees de jongen het boekje met voorbeelden en verlangde van hem, dat hij een bepaald voorbeeld precies zou namaken. Het driejarige kind, dat niet begreep wat zij wilde, omdat het natuurlijk nog niet kon tellen, sprong na korten tijd woedend op en wierp alles door elkaar.

De onderwijzeres maakte zich boos op het kind, in plaats van op zichzelf, want zij had verzuimd zich in de belangstelling en de kundigheden van het kind te verplaatsen, had het in plaats daarvan in zijn werk gestoord en het op een weg gedrongen, die het nog niet gaan kon.

Een kind, dat geregeld op deze wijze ontmoedigd wordt, meent ten slotte voor alles ongeschikt te zijn en is van te voren overtuigd steeds tekort te zullen schieten.
Nu nog iets over de ergste kinderlijke ondeugd: de diefstal. Een moeder komt opgewonden op het consultatiebureau, wanhopig over zichzelf en haar twaalfjarig zoontje. Zij heeft de jongen zonder slaag opgevoed, maar de mensen, die haar voorspeld hadden, dat dit systeem schipbreuk zou lijden, hadden gelijk gekregen en nu heeft zij haar zoon voor het eerst in zijn leven een duchtig pak slaag gegeven. Hij heeft iets verschrikkelijks gedaan: Hij heeft gestolen en dit bovendien nog ontkend. Wat heeft hij gestolen? Eens in een winkel een doosje sigaretten en een keer de spaarpot van een vriendje. De sigaretten had hij met kameraadjes opgerookt, het geld gebruikt voor een radiotoestel.

De vraag dringt zich aan ons op, waarin voor deze knaap de druk bestaat, die het voor hem nodig maakt zó sterk de zucht naar grootzijn, naar manlijkheid aan de dag te leggen, als in dit roken tot uiting komt. En waarom moet hij zijn radio-artikelen heimelijk kopen?

Het antwoord op deze beide vragen is in dit geval eensluidend. De knaap heeft altijd bewonderend tegen zijn vader opgezien, die hij voor onbereikbaar hoogstaand hield en die hij toch probeerde na te volgen. De vader had tot voor korte tijd een aanzienlijke staatsbetrekking bekleed, had deze echter door de omwenteling na de oorlog verloren. Het gezin was daardoor in financiële moeilijkheden geraakt en de geldzorgen speelden thuis een grote rol. De moeder moest plotseling al het huiswerk zelf doen en de vader moest rondtrekken om een nieuwe betrekking te zoeken. Onafhankelijkheid en rijkdom hadden voor de jongen echter de betekenis van macht, superioriteit en zekerheid en hij onderging deze verandering als vernedering en nederlaag, welke, vooral voor de schoolkameraden, verborgen en verheimelijkt moest worden. Hij zou voor zijn vrienden nooit hebben erkend, dat hij zijn radio-apparaat niet kon afmaken, omdat hem het geld voor schroefjes en andere dingen ontbrak. Evenmin echter zou hij het gewaagd hebben, zijn moeder, die op alles bezuinigen moest, om geld te vragen. Hij had niet de moed een afwijzend antwoord of ook maar een verdrietige zucht van haar te riskeren, zomin als hij zich aan de heersende mening, dat armoede een schande is, onttrekken kon. Moedeloosheid was een van de op de voorgrond tredende karaktertrekken van dit kind, dat de ouders eenzelvig en gesloten noemden. - Hij was gedurende vijf jaar het jongste kind geweest; door de moeder met zorg omgeven; lange tijd opvallend afhankelijk van haar en dus onzelfstandig en hulpeloos. Voor de geboorte van een jonger broertje wreekte hij zich door deze te tiranniseren en in zijn dienst te stellen. - Nu is een opmerkelijk feit bij moedeloze kinderen, dat ze geen spanningen kunnen verdragen, nog minder ze vruchtbaar kunnen maken. Hun overgevoeligheid, hun behoefte naar erkenning is zo op de spits gedreven, dat zij een onvervulde wens reeds als een nederlaag beschouwen, als een beperking van hun steeds omhoogstrevend "Ik", en dat ze hun innerlijk evenwicht pas weder terugvinden, als de wens bevredigd is. Daar zij echter de moed tot de daad niet hebben, geschiedt deze bevrediging door kortsluiting. De diefstal dient in zulke gevallen om een prestatie, die op dat ogenblik noodzakelijk zou geweest zijn, te omgaan. In tegenstelling hiermede kan het moedige kind óf met een gezond optimisme zijn beurt afwachten tot zijn wens vervuld wordt, of voor zichzelf een taak in de gegeven situatie ontdekken, waardoor zijn krachten geprikkeld worden om middelen en wegen te vinden zich het verlangde door werkelijke prestaties te veroveren.

Keren wij nu tot ons onderwerp terug. Het pak slaag en vooral de morele veroordeling en de pessimistische toekomstvoorspellingen van de moeder versterkten de jongen in zijn moedeloosheid. Hij had het gevoel een onverbeterlijke fout begaan te hebben en door het wantrouwen van zijn familie waande hij zich voor altijd door hen buitengesloten. - Het gevolg was, dat hij nog verstokter werd, op school achteruitging en het broertje meer plaagde dan ooit. Hoe moet de moeder zich nu gedragen? Vooreerst moet zij afzien van ieder moreel oordeel over de afdwaling. Dan, nadat zij in gebrek aan moed de oorzaak ervan erkend heeft, de weg zoeken om deze weer in het kind te herstellen. De fout dus niet als een voortdurende druk op het kind laten rusten, maar deze tot aanleiding van een taak maken, waartegen het kind zich opgewassen gevoelt, en die hem zijn zelfvertrouwen terug kan geven. Bijvoorbeeld: zij zegt, dat niemand volmaakt is en dat het dus geen schande is fouten te begaan, dat het bovendien altijd mogelijk is ze weer goed te maken. In ieder fout steekt een plicht, die niet altijd gemakkelijk, maar altijd vervulbaar is. "Hier staat de zaak nu zo", zou zij kunnen zeggen, "jij hebt van je vriendje het spaargeld weggenomen. Zelf krijg je ook zakgeld. Je zou graag van de drukkende last van je daad ontheven worden. Het eenvoudigst is, dat je het beetje bij beetje van je zakgeld terugbetaalt. Ik vertrouw, dat je daartoe bereid bent. Als men tegen de wetten van de gemeenschap zondigt, dan deelt het leven zelf de klappen uit. Men moet lijden en offers brengen. Dat is niet gemakkelijk, maar iedere fout bergt nu eenmaal moeilijkheden in zich. Men kan geen noodzakelijke handeling verzuimen, zonder op een of andere manier daarvoor te moeten boeten. Dat is nu eenmaal een wet des levens. Daarmede hebben alle mensen, groot en klein, rekening te houden. Er zijn geen uitzonderingen."

Op deze wijze hoeft geen volwassene meer te straffen of te moraliseren. De consequentie ligt in de zaak zelf. Voor de jongen heeft zich niet alleen een uitweg geopend, die hij uit eigen kracht kan gaan, maar hij is werkelijk een inzicht rijker geworden. - Zo kan iedere misslag voor de mens vruchtbaar gemaakt worden, natuurlijk alleen dan, als ook de opvoeder zelf bereid is op gelijke wijze van zijn eigen fouten te leren. De fouten van het kind moeten zeker niet verdoezeld worden, integendeel, doordat de volwassene zelf vrij van affect, van gevoeligheid, de dingen objectief beziet, treedt hij niet als wrekende en daardoor als uitwissende, storende factor tussen oorzaak en gevolg van de handeling. Het kind leert uit zijn eigen doen, terwijl het in het andere geval alleen de straf leert vrezen.

Hoe verder een kind is afgedwaald, hoe onhandelbaarder het is, des te meer is het ook ontmoedigd en des te groter moeten het inzicht en de liefde van de opvoeder zijn. Helaas is liefde alleen niet steeds voldoende, om een "moeilijk" kind in de goede richting te leiden. Men moet tevens de psychologische samenhang, welke de Individual-psychologie ons heeft leren kennen, weten om de ware wortel van het kwaad te bereiken. Ziet men de wortel in plaats van het kwaad zelf, dan kan men op doeltreffende, opbouwende wijze het kind helpen om zich te verbeteren. Door straf daarentegen wordt het kwaad hoogstens verstikt en het kind door macht gedwongen om bepaalde dingen na te laten. De innerlijke richting van zijn leven wordt er niet door veranderd, maar er veeleer door verstard en bevestigd.

De eerste voorwaarde voor een doeltreffende opvoeding is, dat de opvoeder zelf goed is opgevoed en voortdurend aan zijn eigen opvoeding blijft werken. Hij mag nooit aan eigen voordeel of gemak denken, maar moet het kind en zijn psyche als uitgangspunt nemen. Hij zal het belang van de gemeenschap, in welke het kind nemend en gevend zich schikken moet, in het oog houden. Om voor het kind de goede en begaanbare weg te vinden, waarop het de gemeenschap binnengeleid wordt, zonder in de ontplooiing van zijn krachten belemmerd te worden, moet hij de draagkracht van de kinderlijke psyche kunnen beoordelen.

Het zou voor de opvoeder dikwijls gemakkelijker zijn om juist te handelen als hij zich niet, negatief, afvroeg: "Hoe voorkom ik?" maar positief: "Hoe bevorder ik de aanpassing?" Het antwoord op deze laatste vraag zou dan luiden: Door het kind een hem passende bezigheid te geven. Door de moed om te leven bij hem in stand te houden, hem zijn fouten te doen zien en als hij afgedwaald is, hem te helpen de weg naar de gemeenschap terug te vinden.

Door zulk een strafloze opvoeding, die het kind leert de gevolgen van zijn handelingen zelf te dragen, worden geen zwakkelingen, maar moedige mensen met een levend verantwoordelijkheidsgevoel gevormd.



Opvoeding



Home