LANGS  HET  RANDJE  VAN  DE  AFGROND

     Eind mei, een vrije dag begint. Ik draai me om en voel m'n vrouw. Heerlijk deze warmte! Spontaan een gapen. Onverhoeds, steek in de nek. Het hoofd zit vast! Ik kreun en vloek. Foute boel maar kort van duur. Ongerust draai ik me terug. Een arm wordt om me heen gelegd. "We hebben nog wel even, schat!" fluistert m'n vrouw en drukt zich tegen me. Voor mij teveel ik duw haar weg. "Wat scheelt?" vraagt ze. "Iets vreemds!" mompel ik en werp het laken van me af. Zittend op het bed, hoofd tussen de handen, kijk ik in het niets, wieg heen en weer. Het zweet breekt me uit. Ik hoest, dat doet pijn. Zou dit een griepje zijn? M'n vrouw komt naar me toe, tilt mijn hoofd omhoog, kijkt me aan en vraagt opnieuw wat scheelt. "Voel me niet goed!" zeg ik.  Dát vertrouwt ze niet, het wordt erger, zó heeft ze mij nog nooit gezien. Resoluut loopt ze naar de telefoon en draait het nummer van de huisarts. Zaterdag, dokter vrij! Een antwoord-apparaat verwijst naar artsen van de weekenddienst. Die melden vakantie en getuut! Nu oogt ze verschrikt, pakt opnieuw de telefoon en draait het nummer van de centrale doktersdienst. Vergeefs! Ik kijk haar aan, heb net aspirine geslikt. Ze schudt het hoofd, vindt mij grauw en zegt "Probeer jij het eens!" Ik richt me op en draai hetzelfde nummer. In gesprek! Nieuwe poging, weer geen gehoor! Wat nu, 1-1-2  bellen? Ik doe het niet, geen druk op de borst, geen pijn in een der armen. Maandag zal ik de huisarts bellen, nu terug naar bed. Erin, eruit, en een aspirine. Vooruitzichten van scheren, douchen, kleden, lopen naar het station laten mij niet los. Zal ik moeder bellen om de afspraak te verzetten? Nee, het is nu te laat.
    
Douche en nog twee aspirientjes sterken mij te kunnen lopen. Wel ben ik al snel een dweil. Amper honderd meter ver, valt het leven bijna weg, duizel ik. Terugkeren of doorzetten? Ik ga op een paaltje zitten, sta weer op, haal diep adem en loop. Een zacht briesje voelt lekker en de voorjaarszon is aangenaam. Het station is nu vlakbij en te betreden door trap te lopen, drie maal vijftien treden. De eerste gaat redelijk, de tweede zorgt voor ademnood, de derde laat mij trekken en slepen. Boven trillen mijn benen, moet ik hoesten, maar, we zijn op tijd, weten precies waar moeder arriveert. Daar loopt en stopt ook een metro richting ziekenhuis. "Gewoon instappen, niet treuzelen!" gaat door mij heen. Te laat, moeder wint, komt reeds aangelopen. Allee, ze is er, ik sluit haar in mijn armen. M'n vrouw geeft ze een arm. Mijn lijf zegt nee maar moet toch mee.
     Weer thuis zeg ik ziek te zijn. Dit ongemak moet toch verdwijnen door rust en aspirine?  Maar wat een schrik. Een huid niet droog te krijgen. Zitten, staan slechts kort te doen. Liggen anders dan een strijkplank niet vol te houden, van de ene zijde op de andere zeer onaangenaam. Het hart, in stroming en deining van omsloten vocht, plonst halverwege draaiïng neer. Van binnen vermoed ik puin. Soms, grijp ik nu mijn benen, kramp. Maar het hoofd zit los en geen problemen bij het ademhalen. Ik trek een laadje open, de thermometer, 39.6. Polsslag krijg ik niet te pakken. Het hoofd doet pijn. De aspirines bijna op, vraag ik om nieuwe.
     Op de galerij druk praten en ballen. Bonk, bonk! Dat gaat maar door. Gekweld sta ik op, hoest, kleed me in kamerjas en loop getergd naar buiten. "Zeg, willen jullie stoppen hier te ballen, ik ben hartstikke ziek!" hoor ik mijzelf. Een korte stilte "Natuurlijk, meneer, wordt u maar snel beter!". Even ben ik perplex. "Bedankt, jongens!"
     M'n hoofd lijkt wel te splijten. Het is niet goed me druk te maken! Pijn op de borst heb ik niet, ook geen last van linkerarm. Ik  heb gewandeld en een tas gedragen! Gewoon uitzieken! M'n vrouw komt kijken, hoort alleen verzoek om aspirines.  Even opgericht en weg ben ik. High!  Kom  ik 's avonds toch weer bovendrijven. Moed gevat, kleed ik me aan, kijk foto's en tv. Toch het bed weer opgezocht om uiterst stil te liggen! Ik zweef, dommel,  voel een plons en wens de nacht voorbij. Zes uur pak ik de kamerjas en betreed de douche. Leeg en uitgeput richt m'n lijf zich op. Een bank in de huiskamer geeft geen rust. Vechten alsmaar vechten om te leven zoals zij die binnenkomen. Een boterham sla ik af, een kopje thee is oké. Ik verontschuldig me, verkies alweer het bed. Heel voorzichtig erin, eruit, zitten, staan, loopje langs het ledikant.
     Reeds avond, moeder is vertrokken. Weer een nacht te gaan. Ik slik aspirine, hang op de bank, vertoef in het ijle om plots te botsen in het hier en nu. Een marteling! Liever nog het ongewenste plonzen. Bij het ochtendgloren maait een engerd grijnzend langs mij heen. Nat en vies ga ik douchen. Net op tijd houvast, een duizeling. M'n vrouw is opgestaan, geeft een schone kamerjas. Ik laat weten heel beroerd te zijn. Een sneetje brood, thee en aspirine gaan naar binnen. Eindelijk kan ik de huisarts bellen. Om elf uur te verwachten. Netjes aangekleed wacht ik uren, komt ze pas na enen en constateert zwakke polsslag, abnormale bloeddruk en afwijkende signalen van en om het hart. Ze spreekt van een hartinfarct en wil een snelle behandeling. Ik mag niet van de bank. M'n vrouw pakt schoon goed en pyjama. De huisarts roept een ambulance op en vraagt welk ziekenhuis mijn voorkeur heeft. Ik stamel van om de hoek. Weldra een brancard op wieltjes daarnaast in groen geklede mannen. De huisarts draagt mij over. Ik krijg een pilletje voor onder de tong en via galerij, lift en hal rijden ze mij naar buiten. Buren en omwonenden kijken toe. Ik richt me op, groet en zwaai. Een moment later word ik de ambulance ingeschoven en vastgelegd. Het ritje is kort. Verplaatsing in het ziekenhuis duurt langer. Het voert door gangen waarvan de muren zijn afgedekt met lange stroken plastic. Een onwerkelijke omgeving die eindigt bij de eerste opvang voor hartpatienten. Daar word ik aan een balie aangemeld en geparkeerd naast een dikke man. Meer tijd ter oriëntatie krijg ik niet. Een arts stelt zich voor. Hij doet eenzelfde onderzoek als thuis. Hierna verzoekt hij een aangelopen witte jas om hetzelfde. De twee wisselen bevindingen. Zo pratend lopen ze ook weg. Ik ben niet ik voor hen, enkel drager van een probleem. Dat voelt mijn lijf, ik krijg het koud.
     Dan druk gepraat, witte jassen stevenen op mij af. Ogen speuren, komen heel dichtbij, verkennen van boven naar beneden, zien bultjes, verdikkingen, knobbels. Vele vingers betasten deze dingen. Het lijkt wel "Bingo!" Enthousiast rijden ze mij weg. M'n vrouw mag mee! Racend door gangen is het ongeduldig wachten voor een lift. Halt gehouden krijgt m'n vrouw een stoeltje. Tijd elkaar te raken nog net gegund. Mij rijden ze een grote koele ruimte in. Ik word overgeheveld op een behandelbed met zicht op grote klok, twee aan tentakels bevestigde wentelbare beeldschermen en door glas afgeschermde ruimtes.
     Ik ben die en ik ben die, iedereen stelt zich voor. Elf medisch en technisch vakbekwamen. Vanaf het behandelbed zie ik hen overleggen. Zijn ze het eens, zo schat ik in, wordt van elders een nieuwe specialist erbij gehaald. Deze doet zijn zegje en verdwijnt. Een ritueel dat wordt herhaald tot iedereen tevreden is. Het repareren kan beginnen. Iedere handeling wordt mij meegedeeld en toegelicht. Zo hoor ik dat twee aders bij het hart een ballonverwijding krijgen om vervolgens in elk ervan een metalen buisje aan te brengen. Eerder reeds ontdaan van kleren letten ze er ook op dat ik het niet koud heb, leggen het hoofdkussentje naar wens, scheren mijn liezen, lichten me in bij het geven van een plaatselijke verdoving en wijzen naar bewegende beelden op de schermen waarop een deel van mijn 'binnen-ik'.
     Iemand naast me helpt te kijken, geeft uitleg en wijst de kransslagaders aan, ze zijn dichtgeslibd. Die weer openen en openhouden wordt nu gedaan. De tevens dichtgeslibde halsslagader komt later aan de beurt.
     Een kwestie van heel andere aard betreft het hart, waarvan een deel, linksonder, er maar bijhangt, het is  afgestorven. Repareren kan niet meer. Die engerd van vanmorgen heeft het meegenomen!