Een laatste tocht naar het dak.

Ons huis was hoog, tenminste in mijn herinnering.
In de Eglantiersdwarsstraat had het een groot stuk
blinde muur, waartegen we van een onze balspelen
konden genieten. Dikwijls raakte de bal daarbij
op het dak. Maar dan bezon ik me niet lang. Ik wist
de weg naar de zolder, klom door 't dakraam. liep
door de goot en haalde de verlorene. Dat deed ik
altijd zonder vragen. Niet omdat ik niet wou vragen,
maar omdat het me dan stellig geweigerd zou worden.
Vader zou me nooit veroorloofd hebben, op het dak
te klimmen, dat was veel te gevaarlijk. Maar jongens
zijn gelukkig zo, dat ze alle uit angstvalligheid verboden
dingen toch doen. Mijn hemel, als ze eens
waarlijk gehoorzaam waren, wat zou er, bij de bekende
verbiedmanie der volwassenen, dan van hen
terecht komen. Nooit werd een jongen een man. Doch
nu gehoorzamen ze hun zuiver instinkt vaak meer
dan hun opvoeders, en dat is hun behoud, begrijp
dat goed, brave, dwingende, uit bestwil handelende
pedagoog. De jongen is niet ongehoorzaam uit onwil,
uit boze opzet, maar omdat een wijze natuur
hem tot taak heeft gesteld, de fouten van uw domme
pedagogie te corrigeren.
Mijn vader begreep dat maar zelden. 't Was
heus een allerbeste man, maar het is ongelooflijk
hoe conventioneel dom hij in de opvoeding was.
Net zo dom, als tegenwoordig de overgrote meerderheid
van de vaders nog is. Dan weet ge 't wel. Net zo
dom - als gij het nu nog zijt, vriendelijke lezers. Dan
weet ge 't wellicht beter. Al uw opvoedkundige wijsheid
is meestal domheid. En daaruit vloeien zoveel
conflicten voort met uw kinderen.
Vader was dan een van die massapedagogen, die
alles verbieden, toch alles laten gaan, in drift pakken
slaag toedienen, en toch veel van hun schavuiten
houden. De opvoeding is hun te machtig. En zo
gebeurde het op een Zaterdagmiddag, dat ik weer
een aframmeling kreeg voor een mooie daad van
zelfopvoeding.
Er lag voor de zoveelste maal een bal op het dak.
Ik naar boven. En gauw zat ik in de goot. Mijn makkers
keken natuurlijk. Daardoor keken ook enige
voorbijgangers, en nu hield een van hen zijn hart
daarbij vast en ging naar de winkel, om mijn vader
te waarschuwen. Dat deed die domoor natuurlijk weer
met de allerbeste bedoelingen, maar niettemin deed
hij er gruwelijk kwaad mee.
Vader verliet snel de winkel, en zag me. Nu is het
voor een vader veel erger zijn jongen in gevaar te
zien, dan voor die bengel zelf om in gevaar te zijn.
Maar zulke kinderen moét een vader ook niet zien.
Laat hij zijn ogen dan ook thuis houden. Mijn goeie
vader stond zich op te winden van bewongen drift
hij persende angst, gelukkig riep hij niet dat ik
omlaag moest komen. Niemand riep. Ze waren veel
te bang, dat ik dan schrikken en naar beneden tuimelen
zou. Met starende ogen volgden ze allen mijn
kattenbewegingen, in voortdurende spanning. Ze zagen,
hoe ik langs het steile randje voortschoof, hoe ik
mij bukte, weer terugschoof en door het raam naar
binnen klauterde, volkomen rustig. Geen moment was
ik me iets gevaarlijks of iets verkeerds bewust geweest.
Maar o, toen ik beneden kwam. Nog eer ik gelegenheid
had, mijn vriendjes iets te zeggen, vloog mijn vader
op me af, sloeg me waar hij me maar raken kon,
greep me in mijn nek, rammelde me door mekaar, en
dat alles onder toejuiching van de andere vaders, die
ook een stuk voldoening eisten voor de doorgestane
angst. „Zulke beesten van jongens! Een
mens slaat doodsangsten bij ze uit! 't Is tegenwoordig
dan al meer dan erg" Vader besefte bij die
woorden te dieper zijn pedagogen plicht en ranselde
nog wat genadelozer, om vooral te doen blijken, dat
hij een degelijke vader was, die om de drommel er
niet van hield, zijn kinderen te verwennen. Kinderen
begrijpen, heet altijd kinderen verwennen. Dat is nu
nog zo. En ik werd met schelden en klappen naar
huis geranseld.
Wat was ik woedend. Wóédend! Ik had pas, zo
volkomen kalm, dat zware stuk volbracht, een en al
rustige beheersing. En daar werd ik zo getrakteerd.
De mensen praten, van je vader in dank zo'n kastijding
af te nemen. In dank? Mijn ziel was vol
woede en verwijt. Ik besefte tot in mijn fijnste vezelen,
dat ik zo'n behandeling niet verdiend had. En dan
zo gruwelijk beledigd te worden in tegenwoordigheid
van die vreemde straatmensen en van mijn
makkers. Want het was een belediging, dat afranselen.
En nog meer dat smadelijk naar huis jagen.
Ik voelde me diep gekrenkt en had zeker lange tijd
nodig, om weer in evenwicht te komen.
Krenkt uw kinderen toch niet. En vooral niet in
tegenwoordigheid van anderen. Wij, schoolmeesters.
hebben daar ook zo'n handje van. Dan zeggen we
zelfs: "Toe jongens, lach die domkop eens uit, die
kent nog niet eens de tafel van zes!" En dan geven
we het domme kind prijs aan de harde bespotting van zijn
medescholieren.
„Die domkop!" Wie is de domste
van de twee, hij, die de tafel van zes niet kent, of wij,
die het kinderhart niet kennen"?
Al mijn vergevingsgezindheid was ten slotte nodig,
om mijn vader weer in genade aan te nemen. Een
vader, die zó zijn kinderen kon offeren aan zijn drift
en zijn goede naam bij het straatpubliek, dat was
geen vader. Maar - in zijn hart was hij toch een
goeie man. Een half uur later was hij zelf verlegen
met zijn gedrag. Toen probeerde hij, tersluiks weg,
vriendelijkheden te bewijzen, de goede verhouding
weer aan te knopen. En daartoe liet ik mij langzamerhand
dan maar vinden. Ik kon toch ook niet
goed hebben, dat die grote man zich voor mij wat
vernederde. En dat deed hij toch eigenlijk met zijn er
omheen gedraai.
Dit alles kon ik toen niet zo juist formuleren,
maar ik zag het zeer goed in. En het heeft mij altijd
bevreemd. dat Vader dan niet door een ruiterlijke
spijtbetuiging, met een beroep op zijn drift en andere
verzachtende omstandigheden, de zaak geheel in orde
bracht. Dat gaat juist met een kind zo gemakkelijk.
Een kind gelooft je dan op je woord en is grootmoedig
beschaamd door je zelfbeschuldiging. Maar tot zulk
een afdoend middel kon hij nooit komen. Daarvoor
was hij, pedagogisch, te dom. Domme pedagogen
zien in zulk een zuivere erkenning van de waarheid
altijd een zelfvernedering, terwijl het een reusachtige
zelfverhoging is. Niets ontwapent de tegenstander
sneller dan erkenning van ongelijk. Niets wapent ons
krachtiger dan de waarheid.
Ziedaar de enige herinnering, die ik van het dak
heb behouden. Ik wilde er een bal halen, en kwam
met een vroege pedagogische ervaring thuis. Van al
de ballen die ik te voren uit de dakgoot heb gehaald,
weet ik niets meer af. Al de geslaagde ondernemingen
hebben geen herinnering nagelaten. Maar die ene
mislukte - is geworden tot een stuk, niet opvoedkundige
leer, maar opvoedkundige overtuiging, tot
levenswijsheid.
,,Zie je nou jongen," zou mijn Vader zeggen, "dat
dat pak slaag nog zo gek niet was?"
En dan zou ik antwoorden:
„Ja vader, als je dat alles maar vooruit wist."

Jan Ligthart uit Jeugdherinneringen 1911
Nog meer over opvoeding