Mijn compositie van Harry Mulisch
Frans Duijf
MIJN COMPOSITIE VAN HARRY MULISCH

Toen ik op 4 november 2010 de fraaie fotocompositie van Jan Sterenborg op zijn website www.devrijecultureleruimte.nl zag en ik hem droog berichtte: "Een mooie compositie van de wereld van Mulisch op je website", zou dat grote gevolgen krijgen. Ik besloot op mijn manier een necrologie te schrijven over Mulisch, ook al schreef ik in Het is niet onopgemerkt gebleven - Een tuinkamer vol boeken onder meer, dat ik niet van Mulisch houd. Gelukkig is dat niet het hele verhaal en schreef ik nog enkele woorden. Bovendien is het helemaal in de geest van Mulisch, niet zozeer om je mening te herzien als wel om gewoon een ander verhaal te schetsen. Per slot van rekening is dat helemaal Mulisch: "Met ieder boek verandert de schrijver alles, wat hij geschreven heeft, en bepaalt hij tot op zekere hoogte alles wat hij nog schrijven zal."

   "In het woordje 'niet', of 'tenminste', of 'snel', of 'tastend', kan een volle dag werk, twijfel, nadenken, verbeeldingskracht, besluitvaardigheid schuilen." Bij deze opvatting past het ontbreken van paniek als het werk stokt. Mulisch vindt het een gunstig teken als het werk stokt. Hij is dan kennelijk "iets van belang genaderd, dat zich verzet." Per slot geldt: "Een visser, die meteen optrekt als hij zijn dobber ziet bewegen, vangt nooit iets anders dan zijn eigen aas."
   Dat treft, ik kan een necrologie, beter nog, een compositie als deze niet zo heel erg snel schrijven, heb drukke bezigheden die mijn aandacht opeisen en wil Mulisch naar vermogen zoveel mogelijk recht doen en uit de brij aantekeningen de juiste punten enigszins samenhangend vangen. Zo kon het gebeuren, dat ik voordat ik mijn compositie kon afronden, in NRC Handelsblad van 27 november 2010 Harry en de botheid van media las, een column van de zelfverklaarde Mulisch-deskundige Marita Mathijssen. Zij was boos, moest ervaren dat de media haar de dood van Mulisch kwamen melden en de weduwe dat voorrecht niet gunden. Het gonsde al enkele dagen voor zijn overlijden van de geruchten, wat natuurlijk niet zo gek is bij iemand van die statuur, leeftijd en waarvan bekend was dat hij zijn dood regisseerde. Dat is overigens niet het hele verhaal. Mulisch is er na zijn dood dan wel niet meer, maar Mulisch beweerde desondanks: "Ik ga niet dood." Ik heb niet paraat waar het in zijn werk staat, maar Cees Nooteboom was zo vriendelijk het in zijn herdenkingsartikel in NRC Handelsblad op te nemen. Daarover verderop meer.
   "Dooie dichters, daar houden mensen van", schreef Peter Andriesse in Desperado's. Zo is het. Dat verklaart een toenemende verkoop van het werk van een auteur, kort na diens overlijden. Hernieuwde aandacht voor iemands werk, zo blijkt iedere keer weer als iemand uit de letteren overlijdt, gaat ook mij niet voorbij. Niet dat ik plotseling boeken ga kopen, per slot van rekening heb ik die veelal al, maar de dood laat mij niet onberoerd, ontroert mij. Maar niet alleen de dood.
   Toen Mulisch in 1997 zeventig jaar werd en vijftig jaar schrijver was, werd dat in het Concertgebouw te Amsterdam groots gevierd. Op zijn manier eerde Max Pam met zijn boek De Herenclub in datzelfde jaar de grote schrijver, al zal niet iedereen het boek als een tribuut hebben beschouwd. Verderop meer over dit boek.
   De dag dat mijn moeder eenzaam 95 jaar werd en ik haar bezocht, werd Harry Mulisch feestelijk en groots uitgeluid in Amsterdam. Op Allerheiligen daaraan voorafgaand had Piet Lunenburg mij zoals zo vaak schertsend en vermanend toegesproken, dat het mij weer was gelukt een schrijver naar de overzijde te krijgen; een gewoonte die hij, hoewel onterecht - want ik verslind geen schrijvers, maar slechts hun boeken - naar ik hoop en verwacht nog jaren kan volhouden. De dood van de dichter Guillaume van der Graft op 21 november 2010, voor wie geldt: "Omgeven door erkenning en toch worstelend met een diep gevoel van miskenning", heeft hij gemist. Niet echt een wonder. Radio 1 meldde zijn dood, verder besteedden de media er die dag geen aandacht aan. Kester Freriks schreef de volgende dag een necrologie van enkele regels in NRC Handelsblad, citeerde de dichter die zijn dood eerder had voorvoeld onzorgvuldig, terwijl Van der Graft in de bundel Je staat geen woord in de weg voor Nelleke (Altena) zo fraai dichtte: "Denk mijn naam wanneer ik dood ben, / denk mijn naam maar roep mij niet, / ik ben vergeten hoe ik heet. // En denk aan mij hoe dwars ik was, / hoe tuk op taal en hoe onzeker / en dat ik van je hield met huid en ziel // maar roep mij niet, lief, roep mij niet, / ik ben vergeten hoe ik heet."
   De ontdekker van de hemel en constructeur van de wereld leek de elementen te bestieren. Toen hij na een indrukwekkende herdenkingsplechtigheid in de Stadsschouwburg via de Amsterdamse Styx als Orpheus op weg naar Eurydike door Charon werd afgevoerd naar de Hades en wist dat Eurydike hem nimmer meer naar daglicht en leven zou kunnen volgen, werd de einder getooid met een fraaie regenboog. Bij Mulisch zit er lijn in. In Voer voor psychologen kunnen we nalezen, dat hij toen hij zijn Archibald Strohalm op 31 juli 1951, 's avonds 10 uur, beëindigde, een hevig onweer losbarstte, "hetzelfde onweer dat in 1870 woedde boven Rome, toen het Concilie in de Sint Pieter stemde over het dogma van de pauselijke onfeilbaarheid." Dezelfde avond, precies op tijd, net voor sluitingstijd, geholpen door donder en bliksem, leverde de zelfverklaarde grote schrijver Mulisch volgens zijn vooropgezet plan bij de secretaris van de jury zijn manuscript in voor de Reina Prinsen Geerligs-prijs. Samen met Jan Blokker, de vorige winnaar van die prijs, maakten zij door hun apocalyptische verschijning en het hemelvuur in de gracht zoveel indruk, dat het niet anders kon zijn: de prijs zou hem toevallen. Gedrieën waren ze het daar over eens. "Tegen zulk een representatie kon niemand op. Maar er is meer. De lezer kent de regenboog van Tanchelijn, waarin het personage Everwachter optreedt. Everwachter, die nooit geloofd heeft en niettemin priester is geworden, confronteert Tanchelijn met zijn overtuiging dat God een verzinsel is, waarop Tanchelijn -, voor wie vaststaat dat God buiten het wonder bestaat in de taal, als een woord, als een klank - opmerkt dat God soms bestaat in het wonder, zoals er ook soms een regenboog verschijnt.

De absolute leeftijd en de Tweede Wereldoorlog

Tien jaar later na Archibald Strohalm zou Mulisch in Voer voor psychologen uiteen zetten waarom iedereen voelde dat Mulisch weinig of niets met Hermans en - toen nog - Van het Reve gemeen had. Voor de goede verstaander duidelijk, al bleef het onuitgesproken: hoezo grote drie?
   Mulisch ontvouwde een fraaie theorie over waarom het tweetal, hoewel in jaren jonger, feitelijk ouder is, dichter bij Vestdijk staat, en voegt daaraan toe: "Alle theorieën zijn onzin". Mulisch heeft het hier feitelijk over zijn theorie van de absolute leeftijd. Die van hemzelf is zeventien, zoals hij niet heeft nagelaten te pas en te onpas te ventileren, al heeft hij ook beweerd, dat hij anders dan het "wonderkind" Reve, een "wondergrijsaard" zou worden. Toch zou Mulisch naar eigen zeggen altijd onveranderlijk dezelfde blijven. "Ik ben geen arrivé, want er is niets veranderd aan mij", aldus Mulisch in 1963 tegenover H.A. Gomperts, wijzend op de jeugdfoto's uit de tijd dat hij nog niet kon spreken. "Zijn wereldbeeld vormt men tussen 12 en 17 jaar." Voor Hermans en Reve begon die vorming omstreeks de Rijksbrand en werd zij besloten met het uitbreken van de oorlog. "Hun wereldbeeld zal dus gekenmerkt blijven door een accent van werkloosheid, verveling, hopeloosheid, uiteenlopend in een totale catastrofe." En zo gaat Mulisch nog een aantal regels verder.
   Jong van geest zou Mulisch blijven. Zo lijkt Mulisch op hoofdpersonen in zijn werk, onder meer uit mijns inziens belangrijke werken als De ontdekking van de hemel en Siegfried. Mulisch lijkt op Quinten Quist. Quist is zeventien als hij in Rome zijn taak volbrengt en de tafelen der Wet weghaalt uit het Sancta Sanctorum en zo het testimonium van Mozes naar de hemel terugbrengt, nadat het pact tussen God en de mens werd opgezegd, omdat die door influisteringen van de duivel op het punt stond de hemel te ontdekken en te veroveren. Mulisch lijkt op Rudolf Herter, niet voor niets zijn alter ego, uit zijn laatste roman Siegfried: "Na twee kankeroperaties en een hersenbloeding voelde hij zich fysiek als een schaduw van de schaduw die hij eens was - maar alleen fysiek." Een boek om te herlezen overigens. Niet alleen om zijn droge opmerking is "Wie lang drinkt, leeft lang", het chinees gezegde "grote mensen spreken over ideeën, middelgrote over gebeurtenissen, kleine over mensen" of "Wat is mooier te moeten studeren in het kielzog van een idee? Studeren zonder eigen idee heb ik nooit gekund, op school al niet", maar ook om via een ingewikkelde redenering ervan kennis te nemen, dat en hoe Mulisch tot de conclusie komt dat Nietzsche het eerste slachtoffer van Hitler is, wat overigens in die zin waar is, dat Nietzsche vrij was van de nationaalsocialistische sympathieën die hem door kwaadwillenden zijn aangewreven. (qq169).
   Het boek is nog om een andere reden bijzonder. Het is zijn laatste roman. De laatste zin luidt: "Daarna niets meer." Kan een schrijver grootser afscheid nemen dan met een wijsheid uit het taoïsme? "Als je werk klaar is, trek je dan terug. Dat is de hemelse manier."
   Enfin, laatstelijk dat ik over Mulisch' absolute leeftijd vernam, enkele jaren geleden, kwam het in een gesprek met drie heren aan de orde bij Pauw & Witteman, waarin zowel Hofland als Mulisch voor zichzelf het getal zeventien noemden, gemarkeerd door het einde van de Tweede Wereldoorlog. Blokker, een echte columnist die maar wat roept, viel door de mand, gaf slechts een schatting, ergens tussen de "negentien en eenentwintig jaar". Omdat ik