Grondwet voor het Koninkrijk der Nederlanden

De grondwet kent 142 artikelen en 8 additionele artikelen. Hieronder de eerste 23.
Plus artikel 120 een heel bijzonder artikel dat de vraag oproept voor de burger waar is deze grondwet goed voor? Is het niet een middel om de burger om de tuin te leiden? Lees hieronder de opinie van historicus Martin Schenkels.



1. Grondrechten
Artikel 1.
Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.
Artikel 2 lid 1. De wet regelt wie Nederlander is.
- 2. De wet regelt de toelating en de uitzetting van vreemdelingen.
- 3. Uitlevering kan slechts geschieden krachtens verdrag. Verdere voorschriften omtrent uitlevering worden bij de wet gegeven.
- 4. Ieder heeft het recht het land te verlaten, behoudens in de gevallen, bij de wet bepaald.
Artikel 3. Alle Nederlanders zijn op gelijke voet in openbare dienst benoembaar.
Artikel 4. Iedere Nederlander heeft gelijkelijk recht de leden van algemeen vertegenwoordigende organen te verkiezen alsmede tot lid van deze organen te worden verkozen, behoudens bij de wet gestelde beperkingen en uitzonderingen.
Artikel 5. Ieder heeft het recht verzoeken schriftelijk bij het bevoegd gezag in te dienen.
Artikel 6. lid 1. Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
- 2. De wet kan ter zake van de uitoefening van dit recht buiten gebouwen en besloten plaatsen regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.
Artikel 7. lid 1. Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
- 2. De wet stelt regels omtrent radio en televisie. Er is geen voorafgaand toezicht op de inhoud van een radio- of televisieuitzending.
- 3. Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de voorgaande genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. De wet kan het geven van vertoningen toegankelijk voor personen jonger dan zestien jaar regelen ter bescherming van de goede zeden.
- 4. De voorgaande leden zijn niet van toepassing op het maken van handelsreclame.
Artikel 8. Het recht tot vereniging wordt erkend. Bij de wet kan dit recht worden beperkt in het belang van de openbare orde.
Artikel 9. lid 1. Het recht tot vergadering en betoging wordt erkend, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
- 2. De wet kan regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.
Artikel 10. lid 1. Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer.
- 2. De wet stelt regels ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens.
- 3. De wet stelt regels inzake de aanspraken van personen op kennisneming van over hen vastgelegde gegevens en van het gebruik dat daarvan wordt gemaakt, alsmede op verbetering van zodanige gegevens.
Artikel 11. Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam.
Artikel 12. lid 1. Het binnentreden in een woning tegen de wil van de bewoner is alleen geoorloofd in de gevallen bij of krachtens de wet bepaald, door hen die daartoe bij of krachtens de wet zijn aangewezen.
- 2. Voor het binnentreden overeenkomstig het voorgaande lid zijn voorafgaande legitimatie en mededeling van het doel van het binnentreden vereist, behoudens bij de wet gestelde uitzonderingen. Aan de bewoner wordt een schriftelijk verslag van het binnentreden verstrekt.
Artikel 13 lid 1. Het briefgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, op last van de rechter.
- 2. Het telefoon- en telegraafgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, door of met machtiging van hen die daartoe bij de wet zijn aangewezen.
Artikel 14. lid 1. Onteigening kan alleen geschieden in het algemeen belang en tegen vooraf verzekerde schadeloosstelling, een en ander naar bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.
- 2. De schadeloosstelling behoeft niet vooraf verzekerd te zijn, wanneer in geval van nood onverwijld onteigening geboden is.
- 3. In de gevallen bij of krachtens de wet bepaald bestaat recht op schadeloosstelling of tegemoetkoming in de schade, indien in het algemeen belang eigendom door het bevoegd gezag wordt vernietigd of onbruikbaar gemaakt of de uitoefening van het eigendomsrecht wordt beperkt.
Artikel 15. lid 1. Buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald mag niemand zijn vrijheid worden ontnomen.
- 2. Hij aan wie anders dan op rechterlijk bevel zijn vrijheid is ontnomen, kan aan de rechter zijn invrijheidstelling verzoeken. Hij wordt in dat geval door de rechter gehoord binnen een bij de wet te bepalen termijn. De rechter gelast de onmiddellijke invrijheidstelling, indien hij de vrijheidsontneming onrechtmatig oordeelt.
- 3. De berechting van hem aan wie met het oog daarop zijn vrijheid is ontnomen, vindt binnen een redelijke termijn plaats.
- 4. Hij aan wie rechtmatig zijn vrijheid is ontnomen, kan worden beperkt in de uitoefening van grondrechten voor zover deze zich niet met de vrijheidsontneming verdraagt.
Artikel 16. Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling.
Artikel 17. Niemand kan tegen zijn wil worden afgehouden van de rechter die de wet hem toekent.
Artikel 18. lid 1. Ieder kan zich in rechte en in administratief beroep doen bijstaan.
- 2. De wet stelt regels omtrent het verlenen van rechtsbijstand aan minder draagkrachtigen.
Artikel 19. lid 1. Bevordering van voldoende werkgelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.
- 2. De wet stelt regels omtrent de rechtspositie van hen die arbeid verrichten en omtrent hun bescherming daarbij, alsmede omtrent medezeggenschap.
- 3. Het recht van iedere Nederlander op vrije keuze van arbeid wordt erkend, behoudens de beperkingen bij of krachtens de wet gesteld.
Artikel 20. lid 1. De bestaanszekerheid der bevolking en spreiding van welvaart zijn voorwerp van zorg der overheid.
- 2. De wet stelt regels omtrent de aanspraken op sociale zekerheid.
- 3. Nederlanders hier te lande, die niet in het bestaan kunnen voorzien, hebben een bij de wet te regelen recht op bijstand van overheidswege.
Artikel 21. De zorg van de overheid is gericht op de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu.
Artikel 22. lid 1. De overheid treft maatregelen ter bevordering van de volksgezondheid.
- 2. Bevordering van voldoende woongelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.
- 3. Zij schept voorwaarden voor maatschappelijke en culturele ontplooiing en voor vrijetijdsbesteding.
Artikel 23. lid 1. Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering.
- 2. Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de overheid en, voor wat bij de wet aangewezen vormen van onderwijs betreft, het onderzoek naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van hen die onderwijs geven, een en ander bij de wet te regelen.
- 3. Het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging, bij de wet geregeld.
- 4. In elke gemeente wordt van overheidswege voldoende openbaar algemeen vormend lager onderwijs gegeven in een genoegzaam aantal scholen. Volgens bij de wet te stellen regels kan afwijking van deze bepaling worden toegelaten, mits tot het ontvangen van zodanig onderwijs gelegenheid wordt gegeven.
- 5. De eisen van deugdelijkheid, aan het geheel of ten dele uit de openbare kas te bekostigen onderwijs te stellen, worden bij de wet geregeld, met inachtneming, voor zover het bijzonder onderwijs betreft, van de vrijheid van richting.
- 6. Deze eisen worden voor het algemeen vormend lager onderwijs zodanig geregeld, dat de deugdelijkheid van het geheel uit de openbare kas bekostigd bijzonder onderwijs en van het openbaar onderwijs even afdoende wordt gewaarborgd. Bij die regeling wordt met name de vrijheid van het bijzonder onderwijs betreffende de keuze der leermiddelen en de aanstelling der onderwijzers geëerbiedigd.
- 7. Het bijzonder algemeen vormend lager onderwijs, dat aan de bij de wet te stellen voorwaarden voldoet, wordt naar dezelfde maatstaf als het openbaar onderwijs uit de openbare kas bekostigd. De wet stelt de voorwaarden vast, waarop voor het bijzonder algemeen vormend middelbaar en voorbereidend hoger onderwijs bijdragen uit de openbare kas worden verleend.
- 8. De regering doet jaarlijks van de staat van het onderwijs verslag aan de Staten-Generaal.
Artikel 120. De rechter treedt niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen.

Volgens historicus Martin Schenkels levert dit het volgende op:

Het gaat er niet om dat een rechter iets ter discussie stelt, dat is wat anders.
Het gaat er om of hij toetst of een wet in overeenstemming is met de Grondwet.
Dat is wat in andere landen de taak is van een Grondwetshof, maar dat hebben wij niet.
De rechter mag dat dus niet overnemen.
 

In de praktijk betekent dat  dat een wet in strijd kan zijn met de Grondwet, maar dat de rechter dan de Grondwet moet negeren en alleen uit mag gaan van de gewone wet.
Het gevolg is de praktijk is dan, dat de gewone wetten bepalend zijn, en dat je je als burger niet kunt beroepen op de Grondwet.
Het gevolg daar weer van is dan dat de Grondwet in feite niet geldig is voor de gewone burger.

 

Als dit klopt lijkt het mij een ernstige kwestie: waar moet de burger zich nog op beroepen? En verder er ontstaat rechtsonzekerheid en dat lijkt mij op zijn zachts gezegd niet wenselijk.
Het zou beter zijn artikel 120 uit de grondwet te halen en de rechter een eigen verantwoordelijkheid te geven dat als in geval van strijdigheid met de grondwet hij of zij zelf kan bepalen wat in het onderhavige geval het zwaarste weegt. Zo vindt er ook een uitzuivering van kromme wetten plaats.
Waar blijft de politiek zou je zo zeggen?
De geest van de wet kan dan ook beter gehandhaaft worden. Dit wil niet zeggen dat er dan absolute eenduidigheid is maar er is dan wel meer weerstand dat niet door een truc de geest van de wet om zeep geholpen wordt, zoals nu in het geval van sociale wetgeving die in feite door een anti-sociale houding van het ambtelijk apparaat niet meer geeffectueerd wordt. Uitzonderingen daargelaten natuurlijk, maar de tendens in Nederland is anti-sociaal te noemen. En tegen deze anti-sociale stemming kan de individuele burger weinig tot niets beginnen, mede door dit 120 artikel. Want hoewel artikel 1 van de grondwet zegt dat in gelijke gevallen gelijke behandeling volgt en dat discriminatie van welke aard dan ook verboden is geeft artikel 120 toch altijd een ontsnappingsmogelijkheid en dat is zeer kwalijk te noemen. Het is in feite een motor voor het opbouwen van haat en wrok en agressie. Ook vind ik dat er een hierarchisch principe in de beoordeling van wetgeving ingebouwd moet worden als het er al niet is, en wel zo dat eerdere wetten zwaarder wegen dan latere wetten. Verder dient er ook een tijdsrichting in wetten ingebouwd te worden nl zo dat een wet nooit terug in de tijd mag werken, zoals nog niet zolang geleden een wet heeft bestaan om na scheiding de bijdrageplicht te effectueren. Gelukkig is dit bijgesteld. Als een wet ingevoerd wordt geldt hij vanaf dat moment en om het nog scherper te maken de wet geldt dan voor de nieuw te ontstane gevallen. Dit laatste kan ik niet helemaal overzien maar om willekeur te voorkomen kun je iets dat in het verleden vastgesteld is en waar mensen rechten aan ontlenen, niet zomaar ongedaan maken.

Zie ook het artikel "geen rechten" door Martin Schenkels.
Zie ook het artikel "Kwaliteit van sociale advocatuur" door Herman Bergensteen.
Artikel 11 is mogelijk de belemmering voor een andere orgaan donatie?
Ander punt bij orgaan donatie is dat vele mensen opgevoed zijn met de idee van wederopstanding en als je er dan vanuit gaat dat je lichaam nog in tact moet zijn dan laat je wel uit je hoofd om iets af te staan, en dit alles in weerwil van het feit dat het lichaam tot as vergaat.
Verder kun je je afvragen of er na het overlijden van iemand nog wel sprake is van mijn lichaam...
Zie ook het stukje over orgaandonatie.