De vergeten kunst van het goud maken
Uit
Andrew Tomas
Wij zijn niet de eersten


De ALCHEMISTERIJ was de moderne chemie in een oud gewaad. Maar het was ook de kunst van de omzetting van onedele metalen in kostbare.
Gedurende vele eeuwen waren de geleerden van mening dat scheikundige elementen stabiel waren en niet konden worden omgezet. Dit is de reden waarom de alchimisten werden beschouwd als dromers, charlatans of idioten. Maar in het jaar 1919 schaarde de grote Engelse fysicus Rutherford zich aan de zijde van de alchimisten en zette stikstof om in zuurstof en waterstof door het met helium te bombarderen. Dat was de dag van de rechtvaardiging van de alchemistische  stelling van de transmutatie.
Alchimie, als beheerste omzetting van het ene element in het andere, was het onderwerp van langdurige studie, zowel in het Oosten als in het Westen, en leidde tot de gewaagde moderne scheikunde. Er bestaan middeleeuwse manuscripten die een gedetailleerde beschrijving geven van de uitrusting van de alchimisten, compleet met retorten, glazen vaten, distilleerkolven, fornuizen en andere voor het Grote Werk vereiste dingen. De kosten van een doorsnee alchimistisch laboratorium moeten aanzienlijk zijn geweest.
Het is absurd om te veronderstellen dat al deze goudmakers hun geld uitgaven en maanden en jaren bij hun fornuizen stonden te zweten zonder hoop met hun werk tastbare resultaten te bereiken. Hoewel er personen waren die de alchimisterij opgaven nadat zij er niet in waren geslaagd goedkope metalen in goud om te zetten, was het aantal mensen dat hun hele leven aan deze kunst wijdde, verrassend groot.
Door de eeuwen heen hebben de alchimisten beweerd dat zij in staat zouden zijn kwik. tin of lood in goud om te zetten. Zij die van mening zijn dat alles wat de Ouden konden, door ons beter kan worden gedaan, zullen natuurlijk twijfel uitspreken aangaande het vermogen van de alchimisten om deze wetenschappelijke prestatie te leveren. Was alchimie dan geen boerenbedrog van de een of andere soort? In feite vermeldt de geschiedenis de namen van mannen die hebben getracht munt te slaan uit de goedgelovigheid en hebzucht van hun medemensen. Anderzijds bestaan er historische documenten van vele eeuwen geleden die aantonen dat vorsten de alchimisten vaak als een bedreiging voor de economie van het land beschouwden.
De Romeinse keizer Diocletianus vaardigde omstreeks het jaar 300 een decreet uit waarbij verordend werd dat alle boeken over "de kunst van het maken van goud en zilver" moesten worden verbrand. Het decreet bewijst dat de Romeinse regering de overtuiging was toegedaan dat een dergelijke kunst van transmutatie van metalen had bestaan. Het zou natuurlijk overbodig zijn geweest decreten uit te vaardigen waarbij deze kunst verboden werd. als niet bekend was dat ze werd beoefend.
Deze zelfde keizer tekende een besluit tot vernietiging van alle geheime en openbare plaatsen waar het christendom werd beleden en van alle christelijke boeken. Alle christenen werden uit officiële posities in het Romeinse Rijk verwijderd. Rome bedoelde precies hetgeen in de regeringsproclamatie werd vermeld.
Het decreet tegen de alchimisterij en haar beoefenaars was van hetzelfde type en vermoedelijk werd het bestaan van kunstmatig verkregen goud als even zeker aangenomen als de aanwezigheid van christenen. De Romeinse keizer wilde dat alle geschreven documenten over deze geheime kunst uit de circulatie verdwenen. Het is niet moeilijk de beweegredenen van Diocletianus te doorgronden. Hij begreep dat goud macht betekende. Een alchimist die in staat was het goedkoop te vervaardigen, kon een bedreiging voor de staat worden. Een dergelijke man zou grondgebied en gezaghebbers kunnen kopen. Het is de moeite waard het vroegere geval te noemen van de pretoriaanse garde Didius Marcus, een Romeinse miljonair, die het hele Romeinse Rijk kocht voor het equivalent van ongeveer 35 miljoen dollar. Hij werd evenwel spoedig daarna door keizer Septimus onthoofd. Deze historische gebeurtenis lag de Romeinse burgers nog vers in het geheugen toen Diocletianus de alchimisterij verbood.
 
Volgens de alchimist Zosimus (300 n. Chr.), bezat de tempel van Ptah in Memphis ovens en werd deze god vereerd als de schutspatroon van de alchimisten. De woorden chemie en alchimie of alchemie zijn afgeleid van de naam van Egypte-Khemt. Dus zelfs nu wordt nog een oude overlevering door het gebruik van deze woorden - alchimie, chemie, chemicus of chemisch - in stand gehouden.
In de 8e eeuw systematiseerde de Arabier Jahir (Geber) de alchimistische kennis uit dc Egyptische bron en hij wordt dan ook terecht de vader van deze wetenschap genoemd. Jabir was een praktiserend alchimist die niet alleen een beschrijving gaf van een laboratorium dat voor de transmutatie vereist is, maar ook van de geestelijke en morele eisen waaraan een leerling moet voldoen. "De beoefenaar van deze arbeid moet vaardigheid bezitten en geheel en al op de hoogte zijn van de kennis der natuurfilosofie," schreef de Arabische geleerde. De tijd en de arbeid voor het ontdekken van het geheim van de transmutatie in aanmerking genomen, gaf Jabir de leerling de raad niet te veel geld uit te geven, "voor het geval hij de kunst niet ontdekt en in armoede achterblijft".
Het spreekt vanzelf dat de Arabische ingewijde over zeer concrete dingen sprak - een scheikundig laboratorium en geduldige pogingen die in geen jaren enige winst zouden opleveren. Maar hij gaf de studenten de verzekering dat "koper in goud kan worden omgezet" en "dat wij door onze bedrevenheid gemakkelijk zilver kunnen maken." Deze verklaringen kunnen niet zonder meer terzijde worden gelegd, omdat de naam van Jabir deel uitmaakt van de geschiedenis van de moderne scheikunde.
Een van de eigenaardigheden van de alchimie is het verspreide voorkomen. De alchimie was reeds in 133 v. Chr. in China bekend. De geschiedenis van Tsjia en de alchimist Tsjen vermeldt dat telkens wanneer Tsjia geld nodig had, zijn vriend de alchimist met een zwarte steen over een dakpan of een baksteen wreef en deze alledaagse voorwerpen in kostbaar zilver veranderde. Dat was een makkelijke manier om aan geld te komen.
De biografie van Tsjan Tao-I.ing die aan de keizerlijke academie in Peking studeerde, maakt melding van de Verhandeling over het elixir dat in negen ketels wordt geraffineerd, die hij in een grot vond en waarvan de schrijver, naar beweerd werd, de Gele Keizer (26c eeuw v. Chr.) zou zijn.1

1 De Sjen Hsien Tsjoean door Ko Hoeng, 4de eeuw na Chr.
 
Het basische bestanddeel van de Chinese alchimie was cinnaber of zwavelkwik, dat zowel gebruikt werd voor transmutatie als voor de bereiding van "goudsap", het elixir van de jeugd. "Men kan cinnaber in zuiver goud omzetten," verzekert het in de eerste eeuw v. Chr. geschreven historische document Sjih Tsji.
De onder de beoefenaars van de alchemistische kunst in China, Indië, Egypte en West-Europa verbreide mening dat kwik en zwavel voor de transmutatie buitengewone eigenschappen bezitten, is werkelijk verbijsterend. Het was ten slotte een lange weg van Peking naar Alexandrië en van Benares naar het middeleeuwse Parijs. Wat was de oorsprong van deze leerstelling?
In China werd in 175 v. Chr. een wel uitgevaardigd tegen het namaken van goud volgens alchimistische methodes. Dit feit bewijst twee dingen - in de eerste plaats moet de alchimisterij in China vele eeuwen hebben bestaan voordat ze voor het Hemelse Rijk een probleem werd en in de tweede plaats was de goudproductie van de alchimisten voldoende groot om door de staat te worden gevoeld.
Ook Indië kende de alchimie. De Hindoese beoefenaars van deze kunst waren eveneens van mening dat kwik en zwavel de voornaamste grondstoffen waren. Maar in tegenstelling tot de Chinese en Europese alchimisten schreven zij aan kwik een positieve en aan zwavel een negatieve polariteit toe. Zij probeerden ook het elixir van de onsterfelijkheid en het geheim van goudmaken te vinden.
Gezien het feit dat de kunst van de transmutatie en de productie van goud de ingewijden ten gevolge van jaloezie, kwaadwillendheid, de mogelijkheid van diefstal en zelfs het verlies van het leven in een gevaarlijke positie plaatsten, om van het wantrouwen van de autoriteiten maar te zwijgen, maakten de alchimisten gebruik van zorgvuldig gecodeerde teksten en raadselachtige grafieken. Dit geldt vooral voor de Europese landen waar de inquisitie iedereen opspoorde en liquideerde die de "toverwetenschap" van het heidense Oosten beoefende.
Over de vraag of er in het verleden door middel van alchimistische processen werkelijk goud werd geproduceerd, kan fel worden gedebatteerd. Bepaalde decreten en documenten wijzen evenwel uit dat de heersers over vele landen niet aan de transmutatie van metalen twijfelden. Dit is een goed bewijs van de realiteit van de alchimisterij in oude tijden.
 
Gedurende de 13e en het begin van de 14e eeuw moet de alchimie wijd verspreid zijn geweest, want ze trok de aandacht van het Vaticaan. Deze wetenschap werd in het jaar 1317 door een bul van paus Johannes XXII verboden. Dit document, Spondet Pariter getiteld, veroordeelde de alchimisten tot verbanning en stelde zware boetes vast voor zwendelaars die uit de transmutatie munt wilden slaan.
Al deze verbodsbepalingen inzake de alchimisterij zijn zeer verbijsterend. Een bordje Niet Roken wordt in een trein aangebracht omdat de mensen sigaretten in hun zakken hebben. Wat was de reden van deze bepalingen van Geen goud maken? Als er geen gevallen van illegale transmutatie voorkwamen, zou het immers de moeite niet waard zijn geweest om dure perkament te verspillen aan lange, strenge decreten.
Hendrik IV van Engeland vaardigde in 1404 een wet uit waarbij werd verklaard dat het vermenigvuldigen van metalen een vergrijp tegen de Kroon was. Dit was in de tijd van de Honderdjarige Oorlog en de Boerenopstand. Een koning van Engeland tekende maar niet zo een decreet tegen een mythische bedreiging terwijl hij een heel reële oorlog tegen Frankrijk voerde en in zijn eigen land met boze onderdanen te maken had. Blijkbaar begon de verschijning van goud uit een onbekende bron de Engelse regering zorgen te baren.
Anderzijds stond koning Hendrik VI John Cobbe en John Mistelden toe "de wijsgerige kunst van de omzetting van metalen" te beoefenen en deze licenties werden door het parlement bekrachtigd. Dit alchimistisch vervaardigde goud werd bij het munten gebruikt, hetgeen duidelijk maakt dat de Kroon geen bezwaar had tegen de vervaardiging van alchimistisch goud als het uiteindelijk maar in zijne majesteits munt belandde.
Veel belangrijker dan Hendrik IV's verbod van alchimie was de officiële herroeping door Willem en Maria van Engeland in 1688, luidende: "Aangezien sinds het uitvaardigen van genoemde wet, vele personen door hun studie, ijver en leergierigheid een grote vaardigheid en perfectie hebben bereikt in de kunst van het smelten en raffineren van metalen en verder in het verbeteren en vermenigvuldigen ervan."
Deze wet vermeldt dat te beginnen met de regering van Hendrik IV vele Engelsen naar andere landen zijn getrokken om "genoemde kunst te beoefenen", hetgeen voor het rijk een groot nadeel betekende. De nieuwe wet kondigde aan dat "al het goud en zilver dat door genoemde kunst zal worden voortgebracht" moet worden ingeleverd bij de munt van hunne majesteiten in de Tower van Londen, waar de edele metalen tegen de volle marktwaarde zullen worden gekocht en geen vragen worden gesteld.
Na deze ommezwaai in de politiek, gaven de koning en de koningin zelf een verklaring uit waarin de wenselijkheid van de alchimistische studie werd uitgesproken. Deze historische feiten zijn zeer buitengewoon, want dit alchimistisch vervaardigde goud ligt nu misschien in de vorm van baren in de kluizen van de Bank of England opgestapeld! Het is van belang op te merken dat, voor zover wij weten, Engeland zijn goudleveringen altijd uitsluitend uit vreemde landen heeft betrokken. Blijkbaar beseften de vorsten van Engeland dat er voordelen verbonden waren aan het beheersen van de goudreserves in plaats van toe te staan dat dit goud van onbekende herkomst de economie van het rijk ging beheersen. Deze herroepende wet verklaart duidelijk dat kunstmatig vervaardigd goud werkelijk in Engeland werd geproduceerd en ook dat de munt de productie opnam.
Deze mogelijkheid dat in Engeland kunstmatig goud werd geproduceerd, wordt gestaafd door een monster alchimistisch goud dat de schrijver persoonlijk in de afdeling Munten en Medailles van het Britse Museum in Londen heeft onderzocht. Het heeft de vorm van een kogel, hetgeen begrijpelijk is, omdat het die vorm ook voor de transmutatie moet hebben gehad. Het archief van het museum bevat de volgende korte mededeling inzake deze gouden kogel:

"Goud door alchimisten uit een loden kogel vervaardigd in tegenwoordigheid van kolonel MacDonald en dokter Colquehoun te Bupora in de maand oktober van het jaar 1814."

Hoewel gegevens over de werkelijke transmutatie ontbreken, blijft het feit bestaan dat dit stuk officieel erkend wordt als een zeldzaam specimen van alchimistisch goud, in een van 's werelds grootste musea bewaard.
Johann Helvetius (1625-1709), lijfarts van de prins van Oranje, heeft naar men weet onedele metalen alchimistisch in goud omgezet. Porelius, de inspecteur-generaal van de munt in Nederland, begaf zich eens naar het laboratorium van Helvetius om zijn alchimistisch werk gade te slaan. Daarna ging Porelius naar de juwelier Brechtel en verzocht hem een analyse van het goud van Helvetius te maken. Na een strenge keuring bleek het goud vijf grein meer te bevatten dan voor de test.
Wat is nu transmutatie? Plutonium, een element dat op aarde niet voorkomt, kan door kernfysica worden geschapen - dat is een geval van transmutatie. Een hypothetische transmutatie van kwik in goud zou betekenen dat de atomaire structuur van het kwik werd gewijzigd. Het element wordt bepaald door het aantal elektronen, hun banen en de rangschikking van protonen. Het verdient de aandacht dat volgens de oude alchimie goud uit kwik of lood werd bereid. In de periodieke tabel van elementen is het atoomnummer van goud 79, dat van kwik 80 en dat van lood 82 - met andere woorden, het zijn buren. Het was Mendeleyeff die in 1879 voor het eerst een tabel van de elementen opstelde en ze volgens hun atomaire structuur in volgorde van toenemend gewicht rangschikte. De vraag is - hadden de alchimisten deze tabel reeds voor Mendeleyeff ontdekt?
Arabische geleerden, zoals Jabir, Al Razi, Farabi en Avicenna die tussen de 8c en 11e eeuw leefden, brachten de kennis van de alchimie naar West-Europa over. Kostbare, met de hand geschreven boeken werden van stad naar stad gedragen. Zij bevatten gecodeerde geschriften en geheimzinnige diagrammen die slechts weinigen konden lezen en nog minder begrijpen. Sommige van deze manuscripten en verhandelingen belichaamden echte scheikunde en alchimie, andere bevatten slechts verwrongen versies van oude formules en methoden zonder praktische waarde.
De alchimisten zwierven van de ene stad naar de andere en beoefenden hun kunst in het geheim. Het was gevaarlijk te spreken over de eigen kunde om goedkopere metalen in goud om te zetten, want vorsten onderwierpen spraakzame mannen soms "aan martelingen om de alchimistische formules uit hen los te krijgen". In de Compound of Alchemy (1471) gaf sir George Ripley de studenten en beoefenaars van het beroep de raad "hun geheimen voor zichzelf te houden".
De pioniers van de moderne wetenschap, zoals Albertus Magnus (1206-1280) die uitgebreid over sterrenkunde en scheikunde schreef, geloofden niet alleen in de realiteit van alchimistische transmutatie, maar stelden zelfs regels vast hoe deze kunst moest worden beoefend. Hij gaf de raad "de samenwerking met vorsten en edelen behoedzaam uit de weg te gaan en afzondering en zwijgzaamheid na te streven'.
Roger Bacon (ca. 1214-1294) liet een gecodeerd manuscript na dat, naar beweerd wordt, door professor Wm. R. Newbold werd ontcijferd. Het bevat een formule voor het maken van koper. In de bibliotheek van de universiteit van Pennsylvanië bevindt zich een retort en het volgend, 1 december 1926 gedateerde certificaat: "Dit retort bevat metallisch koper dat werd gemaakt volgens een geheime formule van Roger Bacon."
De grote doctor Paracelsus (1493-1541) ontdekte het zink en was de eerste die waterstof identificeerde. De faam van Paracelsus als alchimist was zo groot dat zijn graf in Salzburg geopend werd op grond van geruchten dat met de fysicus alchimistische geheimen en grote schatten waren begraven. Er werd evenwel niets in de doodkist gevonden. Zijn beroemde zwaard, waarvan het gevest de zgn. Steen der Wijzen bevatte, was ook spoorloos verdwenen.
Nicolas Flamel (1330-1418), een Parijse notaris, was eveneens een groot alchimist. In zijn bedrijf met veelzeggende documenten en manuscripten kwam hij in aanraking met boekhandelaren. In zijn Hiëroglifische Figuren vertelde hij dat een vreemdeling hem voor een redelijk bedrag een oud boek van Abraham de Jood, in een onbekende taal geschreven, aanbood en dat hij het kocht. Het duurde vele jaren voor Flamel en zijn vrouw Pernelle tot de conclusie kwamen dat het boek over oude alchimie ging.
Met gebruikmaking van deze tekst was Nicolas Flamel in staat zijn eerste transmutatie van een half pond kwik in zuiver zilver op 17 januari 1382, toen hij 52 jaar oud was, te volbrengen. Op 25 april slaagde hij in het maken van zijn eerste alchimistische goud.
De burgers van het 14e eeuwse Parijs waren minder sceptisch inzake Flamels vermogen om goud te maken dan de Parijzenaar van nu. Maar zij hadden er goede reden toe - de alchimist bouwde gedurende de 36 jaren van zijn succesvol alchimistisch werk vele ziekenhuizen en kerken in Parijs. Dit feit gaf hij zelf toe: "In het jaar 1413 na het heengaan van mijn trouwe gezellin die ik de rest van mijn leven zal missen, hadden zij en ik al veertien ziekenhuizen in deze stad Parijs gesticht en gesubsidieerd en bovendien drie geheel nieuwe kapellen, versierd met fraaie giften en voorzien van een goed inkomen, zeven kerken met talrijke verbeteringen aan de begraafplaatsen, alsmede hetgeen wij in Boulogne hebben gedaan1, hetwelk nauwelijks minder is dan wat wij hier deden."
Nicolas Flamel schreef dat hij op sommige van zijn kerken figuren of tekens aanbracht uit het Boek van Abraham de Jood. Tweehonderd jaar geleden waren deze daadwerkelijk te zien op zulke plaatsen als het Cimetière des Innocents, de kerk van St. Jacques de la Boucherie en van St. Nicolas des Champs. Het Museum Cluny bevat de grafsteen van Flamel.
Het boek van Abraham de Jood is waarschijnlijk geen verzinsel aangezien het voorkomt in de Catalogus librorum philosophicorum hermeticorum, in 1654 door dr. Pierre Borelli uitgegeven. Borelli was blijkbaar geen gewone geleerde, aangezien zijn blik verziend genoeg was om zich "luchtschepen" voor te stellen als de middelen "waarmee men de zuivere waarheid kan leren betreffende de veelvoudigheid van werelden".
Volgens dr. Borelli gelastte kardinaal Richelieu een speurtocht naar alchimistische boeken in het huis en de kerken van Flamel en deze moet succes hebben gehad, want de kardinaal werd eens gezien toen hij het Boek van Abraham de Jood met kanttekeningen van Flamel las.
Het geval van George Ripley, een Engelse alchimist uit de 15e eeuw, was al even spectaculair. Elias Ashmole, de Engelse geleerde uit de 17e eeuw die in Oxford een verzameling heeft nagelaten die bekend staat als hel Ashmolean Museum, vermeldt een document in Malta dat spreekt van bijdragen van  100.000 pond per jaar die sir George Ripley aan de Orde van St. John van Jeruzalem op Rhodos schonk om Rhodos te helpen tegen de Turken te strijden. Hierbij verdient het de nadruk dat de waarde van het pond vijfhonderd jaar geleden oneindig veel hoger was dan nu.
Andere alchimisten maakten blijkbaar zoveel goud dat een van hen aanbood de Kruistochten te financieren en een andere om de nationale schuld van zijn land te betalen. Met de monetaire crises van nu en de tekorten die met het jaar stijgen, zouden de ministers van Financiën er goed aan doen de alchimie te hulp te roepen om goudreserves op te bouwen.

1 Boulogne-sur-Seine.

 
Paus Johannes XXII die een bul tegen de alchimisten uitvaardigde, kreeg zelf belangstelling voor deze kunst! Het is zeer goed mogelijk dat hij na lezing van talrijke in beslag genomen documenten over alchimie het besluit nam met de wetenschap van de transmutatie te experimenteren. Hij schreef in feite een alchimistisch werk, Ars Transmutatoria, waarin hij vertelde dat hij in Avignon jarenlang aan de Steen der Wijzen had gewerkt en hoe hij langs alchimistische weg tweehonderd staven goud van honderd kilo per stuk had vervaardigd. Na zijn dood in 1334 werden in de schatkamer van de paus vijfentwintig miljoen florijnen gevonden!'1 De oorsprong van dit geweldige fortuin is nooit bevredigend opgehelderd, want in die tijd van oorlogen en van het kerkelijk conflict tussen Avignon en het Vaticaan waren de inkomsten van de paus beperkt.
Het Kunsthistorisches Museum in Wenen bevat een buitengewoon bewijsstuk van de alchimistische praktijken in de afgelopen eeuwen. Het komt in de catalogus voor als Alchimistisches Medaillon - een ovale medaille van 40 bij 37 centimeter met een gewicht van zeven kilo. Behalve het derde bovenste deel van de schijf die van zilver is, bestaat het onderste twee-derde deel uit zuiver goud.
Deze medaille kan een opwindend verhaal vertellen. In een augustijns klooster in Oostenrijk leefde in de 16e eeuw een jonge monnik. Wenzel Seiler genaamd. Hij had genoeg van het leven in de abdij, maar zonder geld bestond er geen mogelijkheid om eruit te komen. Een oude broeder die Wenzel onder zijn hoede had genomen, vertelde hem over een in het klooster begraven schat en zij besloten ernaar te gaan zoeken.
Na lang zoeken vonden zij onder een zuil een oude koperen kist. Deze bevatte een perkament met vreemde tekens en letters en vier kruiken met een roodachtig poeder.  Seiler had verwacht goudstukken in de kist te zullen vinden en was zo teleurgesteld dat hij erover dacht de inhoud weg te werpen. De oude monnik kreeg evenwel belangstelling voor het document en verlangde dat het poeder bewaard bleef.
De oude broeder kwam tenslotte tot de conclusie dat het rode poeder het kostbare transmutatiemiddel van de alchimisten zou kunnen zijn. Wenzel Seiler stal vervolgens een oud tinnen bord uit de

1 Een 14e-eeuwse gouden florijn was ongeveer vijf huidige dollars waard.

 
keuken van de abdij en nadat hij dit met het rode poeder had bedekt, werd het bord in het haardvuur verhit. Als bij toverslag werd het tinnen bord even later in puur goud veranderd!
Seiler was zo gelukkig met het resultaat van de proefneming dat hij naar de stad ging om het goud te verkopen. Hij kreeg er twintig dukaten voor, maar de oude broeder achtte het niet verstandig dat een jonge monnik goud verkocht. De oude man werd ziek en stierf korte tijd later, waarna de jonge monnik Wenzel de enige eigenaar was van het poeder om goud te maken.
Omdat hij besefte dat hij niet bij machte was zijn ontdekking ten nutte te maken en zonder hulp uit het klooster te ontsnappen, vertrouwde hij zijn geheim toe aan Francis Preyhausen, een andere jonge monnik, en zij maakten plannen om de abdij in het voorjaar te verlaten.
Van zijn dukaten kocht Wenzel wijn en genoot hij van de bezoeken van zijn jeugdige neef Anastasio uit Wenen. De geruchten over het gestolen bord, de twintig van een juwelier ontvangen dukaten en de lege wijnflessen bereikten de abt die Seiler bij zich liet komen ter ondervraging. De abt ging vervolgens met de oudere broeders naar Wenzel Seilers cel. Zij openden de deur en zagen Anastasio naakt op het bed van Wenzel liggen. Toen zij zijn anatomie nader in beschouwing namen, drong het tot de oude monniken door dat Anastasio in werkelijkheid Anastasia was! Na enkele pijnlijke ogenblikken gedurende welke het meisje de tijd kreeg om zich in een mantel te hullen, gaven de godsmannen haar een sermoen over de gevaren die haar ziel bedreigden.
De jonge Wenzel werd evenwel gegeseld en in zijn cel opgesloten. De vier kostbare kruiken met het rode poeder werden heimelijk door de spijlen van het raam aan Francis gegeven die buiten stond te wachten. Toen werd Wenzel Seiler naar een gevangeniscel overgebracht en begon de toekomst er heel donker uit te zien. Francis Preyhausen zat evenwel niet stil en wist voor hun ontsnapping te zorgen.
Tijdens een avontuurlijke reis begrepen de jeugdige monniken hoe gevaarlijk hun leven met het goudmakende poeder in hun handen kon worden. Francis was evenwel intelligenter dan Wenzel en verborg het poeder.
In Wenen wisten zij de bescherming te verkrijgen van graaf Peter von Paar, een vriend van keizer Leopold I van Duitsland, Hongarije en Bohemen (1640-1707), omdat deze edelman een ijverig bestudeerder van de alchimie was. Er werd gezorgd voor een audiëntie bij de keizer die eveneens belang stelde in deze oude kunst.
In tegenwoordigheid van Leopold I, vader Spies en dr. Joachim Becher, transmuteerde ex-broeder Wenzel Seiler een ons tin in de tijd van een kwartier in zuiver goud. Door de getuigen werd dienovereenkomstig een geschreven verklaring getekend.
De vriendschap van graaf von Paar was niet zo oprecht als eerst had geleken. Met het pistool in de hand dwong hij Wenzel afstand te doen van een deel van het rode poeder. Gelukkig voor Wenzel en Francis stierf de edelman korte tijd na dit incident.
Keizer Leopold I werd nu de beschermheer van Seiler. Met graaf von Waldstein, de kapitein van de lijfwacht, maakte de keizer zelf met het rode poeder van Wenzel Seiler alchimistisch goud. In 1675 werd een speciale dukaat met de beeltenis van Leopold I geslagen van het door de vorst alchimistisch vervaardigde goud. Op de achterzijde stond de volgende inscriptie:

Met het poeder van Wenzel Seiler
Werd ik van tin in goud veranderd.

Succesvolle experimenten in de alchimie werden door Seiler uitgevoerd in het paleis van de Ridder van St. Johannes in de Kärnterstrasse in Wenen en op last van de graaf von Waldstein werd van dit alchimistische goud een gouden ketting vervaardigd.
Op 16 september 1676 sloeg de keizer de alchimistische monnik tot ridder van Rheinburg, hetgeen de naam was van Seilers aristocratische moeder (zijn vader was niet van adel) en benoemde hem tot hofchemicus.
Toen het rode poeder bijna was uitgeput, concentreerden Wenzel Seiler en Leopold I hun pogingen op de vermenigvuldiging van het poeder, maar zonder enig resultaat. In 1677 werd een grote zilveren medaille in de transmuterende stof gedoopt, waarbij het onderste gedeelte in goud veranderde. In dit boek is een foto van deze medaille opgenomen en de ene opmerking die erover te maken valt, betreft de vier kerven in de rand. Ze werden in 1883 in Wenen gemaakt op verzoek van professor A. Bauer om de samenstelling van de schijf te analyseren. Bevonden werd dat tweederde gedeelte puur goud was, zodat er geen sprake was van verguldsel. Dit geval van alchimie is in de geschiedenis geboekstaafd en biedt een sterke aanwijzing voor de echtheid van alchimistische transmutatie in vroegere tijden.
Er bestaat een 19e-eeuws schilderij van de Poolse kunstenaar Matejko dat een dramatisch beeld geeft van een werkelijk alchimistische transmutatie door Michael Sendivogius in Kraków in het begin van de 17e eeuw ten overstaan van koning Sigismund III van Polen.
De alchimie beperkte zich niet alleen tot het maken van goud, want sommige alchimisten beweerden dat zij edelstenen konden produceren. Als dat zo is, moeten zij de eerste makers van synthetische stenen zijn geweest.
De moderne techniek kan een stuk antraciet in een dure diamant veranderen, maar het proces is kostbaar. Dr. William Libby, winnaar van een Nobelprijs, maakte in 1969 diamanten door een blok grafici tussen twee nucleaire apparaten te plaatsen. In de jaren veertig verrichtte dr. E. O. Lawrence uit Amerika de transmutatie van een aantal elementen.
In 1897 beweerde dr. Stephen H. Emmens, een Britse fysicus in New York, dat hij een methode had ontdekt om zilver in goud om te zetten. Tussen april 1897 en augustus 1898 werd door hem voor een waarde van meer dan $ 10.000 aan goud aan het Amerikaanse Assay Office in Wall Street verkocht. De New York Herald drukte in die tijd een artikel over dr. Emmens af met het volgende opschrift: DEZE MAN MAAKT GOUD EN VERKOOPT HET AAN DE AMERIKAANSE MUNT. Het Assay Office gaf toe dat het dit goud kocht, maar stelde terzelfder tijd de vraag: "Maakte hij het uit zilver, zoals hij beweerde?"
Het doet er weinig toe of de alchimisten al of niet zilver, tin of lood in goud konden omzetten. Van meer betekenis is het feit, dat zij meenden dat het ene scheikundige clement in het andere kon worden omgezet. Vóór Curie en Rutherford ontkende de wetenschap deze mogelijkheid. Om kort te gaan, de alchimisten liepen vooruit op onze moderne wetenschappelijke opvattingen inzake de aard van de materie.
In zijn Interpretation of Radium, dat in 1909 werd gepubliceerd, spotte dr. Frederick Soddy, Nobelprijswinnaar, die het woord "isotoop" invoerde en een pionier was op het gebied van de kernfysica, niet met de alchimie:
"Het is bijvoorbeeld merkwaardig om na te denken over de eigenaardige legende van de Steen der Wijzen, een van de oudste en meest universele overtuigingen waarvan wij de oorsprong, hoever wij ook in de berichten van het verleden teruggaan, niet kunnen ontdekken. Van de Steen der Wijzen werd beweerd dat hij niet alleen de macht bezat de metalen in elkaar om te zetten, maar dat hij tevens dienst deed als levenselixir. Wat ook de oorsprong van deze schijnbaar zinloze chaos van gedachten mag zijn geweest, het is in feite een volmaakte en heel licht allegorische uitdrukking van de opvattingen die wij heden ten dage huldigen."
De Egyptische overlevering wees naar Thoth, Hermes of Mercurius, de cultuurdrager die aan de mensheid de hermetische kunsten had onthuld, waarvan de alchimie er een was. Hermes of Mercurius was ook de grondlegger van de geneeskunst. De moderne geneeskunde is gebouwd op de rots van de hermetische wetenschap. Het is boeiend de stroom van de geneeskundige wetenschap te volgen van de prehistorische medicijnman, de kruidenkenner, de magiër, de priester, naar de farmaceut en arts van de tegenwoordige tijd.