De uitzendingen van 'In Europa' maakt heel wat los. Zoals bij Chris toen hij hoorde over weggedrukte schaamte van vele Fransen ten tijde van WO - II en de Vichy-regering van Pétain en Laval. Het leidde ertoe dat Chris opnieuw het boek 'Reis naar het einde van de nacht' las. In tegenstelling tot eerdere lezingen huivert hij nu. In het boek lag gevouwen een artikel uit het jaar 2001 wat hieronder onverkort en met bijgevoegde foto's te lezen is.
Ouder - Amstel, maart 2008    

'Het ene slot van Celine' door Frans van Schoonderwalt in de Volkskrant van zaterdag 15 september 2001

Eind 1944 veranderde het zuid-Duitse stadje Sigmaringen op bevel van Hitler in een Franse enclave. Onder dwang streek er de Vichy-regering van Pétain en Laval neer, met in haar kielzog honderden Franse collaborateurs. Onder hen de schrijver Louis-Ferdinand Céline.

Super-Hollywood. Eén en al moffenbarok. Je reinste duivels zijn het. Niks dan Hohenzollern, steeds lelijker.

Wanneer de arts Louis-Ferdinand Destouches in de huid van de schrijver Céline kroop, zwollen zijn zinnen vaak op. Superlatieven nestelden zich tussen de woorden, zwart werd pikzwart, lelijk werd aartslelijk.

Dus was Sigmaringen - door de Franse auteur hardnekkig Siegmaringen genoemd - bij hem niet 'zomaar een kuuroord en toeristenplaats. . .', nee, het werd 'een historisch centrum van de eerste orde. . . Een historische droomplek en nog gezond ook. . .'

Het zuid-Duitse stadje aan de Donau heeft er nog maar weinig weet van. Dromerig ligt het aan een allesbehalve blauwe rivier die zijn faam nog moet gaan waarmaken, vele kilometers stroomafwaarts, in Wenen vooral en in Boedapest.

Te klein is het eigenlijk voor dat reusachtige, romantische kasteel van de Hohenzollerns, dat, gebouwd op een rots, boven het stadje uittorent, een wereld op zich, volgepropt met historie, maar ook met menig lijk in de kasten.

'Kijk het daar eens liggen, dat Slot!. . . al dat stucwerk, hoe hebben ze 't in elkaar geknutseld, alle mogelijke stijlen, even met de losse handen, torentjes, schoorstenen, gargouilles. . . niet te geloven!. . . super-Hollywood!. . .

Hollywood dus, maar ook de schijnwereld van Lehár en Offenbach: de operette. Het is de eerste gedachte die bij Céline opkwam toen hij in Sigmaringen uit de trein stapte, november 1944.

'Wat was dat daar schilderachtig!. . . 't leek wel een operette. . . precies 't decor. . . je verwachtte elk ogenblik sopraanstemmen, lichte tenors. . . voor 't weergalmen had je 't hele bos!. . . tien, twintig bossen vol bomen!. . . 't Zwarte Woud, steil neervallende dennenbossen, cataracten. . .'

Im Weissen Rössl, daaraan deed dat keurige stadje in roze, groen, bonbon- en pistachekleuren, met z'n kroegjes, hotels, winkels en grillige vormen, Céline sterk denken. 'De regisseur leeft zich uit. . . één en al ''moffenbarok'', helemaal in stijl. . . je hoort 't orkest al!. . .'

Het enige dat destijds in Sigmaringen te horen was, waren de bommen die neerdonderden op Ulm en Singen. Plus het schrille piepen van rangerende treinen in het stadje zelf, 'een verdomd belangrijk knooppunt' voor wagons 'vol met troepen, de hele handel, dat kanonnevlees'...

Door de Schwabestrasse in hartje Sigmaringen loopt een gemuilkorfde hond. Zijn begeleidster heeft haar rechterarm in het gips.

Hoe verleidelijk is het om er een symbool in te zien! Heeft niet even eerder boekhandelaar Joachim Greisle uitgelegd dat de Duitse belangstelling minimaal, zo niet nihil is voor dat merkwaardige stukje lokale historie? De muilkorf is het zelfopgelegde zwijgen, het gips dekt de oorlogswond af.

Maar misschien slaat de verbeelding nu wel erg op hol.

Greisle: 'Als er hier al eens iemand naar Céline of de Vichy-regering vraagt, is het een buitenlandse toerist. De Duitsers interesseren zich meer voor de Hohenzollerns.'

Het is begrijpelijk. Welke stad zou er prat op gaan onderdak te hebben geboden aan 1142 Franse collaborateurs, aan de Vichy-regering van het bejaarde staatshoofd Henri-Philippe Pétain, premier Pierre Laval en hun slippendragers? Die gastvrijheid was weliswaar door Hitler afgedwongen, maar toch. (Het exacte cijfer is van Céline. Andere bronnen spreken van twaalf- tot vijftienhonderd vluchtelingen.)

Tot overmaat van ramp verloor Sigmaringen ook nog eens tijdelijk zijn Duitse identiteit. Op bevel van de Führer werd het in september 1944 een Franse enclave, met als douane- en politiekorps de Milice van Laval. Hitler besefte dat hij na de invasie van Normandië Frankrijk als verloren moest beschouwen. Maar hij wilde de fictie overeind houden dat nog steeds sprake was van een Frans landsbestuur, ook al bevond zich dat in ballingschap. Dat Pétain, Laval en hun ministers weinig of niets voelden voor Sigmaringen, speelde geen rol. Min of meer als gevangenen van de Duitsers belandden ze via Belfort in het Donaustadje, wiens bevolking behoorlijk anti-nazi en zeer sterk pro-Hohenzollern was, dus als vanzelfsprekend anti-Frans.

Hals over kop moest Heinrich von Hohenzollern, de toenmalige bewoner van het slot, met zijn familie elders onderdak zoeken. Dat vond hij bij Franz Schenk von Stauffenberg in het naburige Wilflingen, dezelfde baron die de omstreden schrijver-filosoof Ernst Jünger rond diezelfde tijd liefdevol opnam. Jünger zou er tot zijn dood in 1998 blijven wonen, in de boswachterij die nu Gedenkstätte für Ernst und Friedrich Georg Jünger is, een sfeervolle villa, gevuld met tachtigduizend boeken en veertigduizend opgezette kevers.

(In eerdere oorlogsjaren kwam Ernst Jünger in Parijs diverse keren Céline tegen. Volgens Céline-biograaf Frédéric Vitoux lagen beide mannen elkaar absoluut niet. De Duitser was in de ogen van Céline een hooghartige, onaanraakbare militair; andersom vond Jünger de Fransman een nihilistische, brute antisemiet.)

Per trein arriveerde Céline in november 1944 via Ulm in Sigmaringen, in het gezelschap van zijn derde vrouw, de danseres Lucette Almanzor, hun fameuze kat Bébert en de filmster Robert Le Vigan. Voor de Franse arts-schrijver werd net als voor talloze andere collaborerende landgenoten (politici, kunstenaars, journalisten, wetenschappers) de enclave in Baden-Württemberg hét toevluchtsoord. Later zou hij er nagenoeg zijn hele boek Van het ene slot naar het andere aan wijden.

Destijds was het station een langwerpig gebouw van grauwe steen en dat is het nog steeds. De bar, een lange, donkere pijpenla, heet Alfons X, de hal is betegeld en op het eerste perron is een pizza-Imbiss. De enige klant is een soldaat in camouflagekleding.

Hier trof Céline vrijwel dagelijks de 'stoeipoezen van de stationswachtkamer' aan. Gevluchte hoeren waren het, of voormalige minnaressen van SS-officieren. ''t Hele station maakten ze onveilig, die ondeugende kwelduiveltjes!. . .', op zoek naar een nieuwe prooi zodra de soldatentreinen halt hielden. En wie een geslachtsziekte opliep, klopte bij Céline aan, officieel benoemd tot arts van de Franse kolonie, de Vichy-regering uitgezonderd.

Onderdak vonden de nieuwkomers in hotel Löwen in de statige Karlstrasse, een kubusvormig, sfeerloos gebouw, dat is veranderd in Chinees restaurant Kaiserpalast. De jachttrofeeën in de eetzaal zijn verdwenen, net als de penetrante geur van het Stammgericht, een brouwsel van rode kool en koolraap, waaraan Céline een hartgrondige hekel had. De uitgesleten tegelvloer en de houten betimmering van het halletje lijken oud genoeg om de schrijver te hebben meegemaakt.

'Eerste verdieping, nr 11, in ons krot. . . en als ik zeg krot, dan meen ik dat!. . .' Een hok met twee spiraalmatrassen en een krukje, en op de gang een altijd verstopt toilet. Het hotel was berekend op dertig gasten, er verbleven er 150. 'Echt vreselijk', vertelde later de actrice Corinne Luchaire. In zijn hok ontving Céline zijn patiënten die aan tbc leden, aan diarree, en vooral aan schurft. Het was pro deo-werk; de genees- en verbandmiddelen betaalde hij uit eigen zak, morfine liet hij uit Zwitserland smokkelen. Lucette fungeerde als verpleegster.

Vriend Le Vigan kwam in hotel Bären terecht, aan de Burgstrasse, een vakwerkhuis uit 1695 dat nog steeds hotel Bären heet. Andere tastbare herinneringen aan Céline's verblijf zijn Konditorei Schön aan de Antonstrasse, waar in 1944 de laatste oorlogsnieuwtjes over de tong gingen, en hotel Zum Altem Fritz aan de Zimmerackerstrasse, tegenwoordig ook Gasthof (met gutbürgerliche Küche).

Heel wat bouwers hebben in de loop der eeuwen aan het slot van Sigmaringen geknutseld. Barok, romantiek, (neo)gotiek en renaissance lopen daardoor in elkaar over, al is het lang niet zo schaamteloos als in Neu-Schwanstein.

Van het vorstelijk geslacht Hohenzollern was Karl Anton de geliefdste. Wie het slot bezoekt, komt hem tegen in het parkje bij de ingang; daar staat hij levensgroot als dank voor zijn streven naar de Duitse eenheid. Karl komt er, vergeleken met zijn zoon, bekaaid af met een borstbeeld, één gazon verderop. Op de Leopoldplatz zit vorst Leopold te paard, bij het sierlijke stadhuis staat Johann in miniatuur op een fontein.

'Echt een Slot om in zoek te raken. . . al die hoeken. . . het werk van eeuwen Hohenzollern. . . en in alle stijlen!. . . Barbarossa, renaissance, barok, stijl 1900. . .'

Op de zevende verdieping woonde Pétain met zijn gevolg. Céline kwam er zelden, de maarschalk had zijn eigen lijfarts (Ménétrel) bij zich. Premier Laval, op de zesde etage, nodigde zijn landgenoot drie keer uit voor het avondmaal. Terwijl Bébert zichzelf in de Venetiaanse spiegels bekeek - ze hangen er nog steeds - maakte Céline van de gelegenheid gebruik om rond te neuzen.

'Nu we hier toch als toerist zijn kan ik 't net zo goed even met u over die schatten hebben, die wandtapijten, lambrizeringen, vaatwerk, die wapenzalen. . . trofeeën, wapenrustingen, vaandels. . . elke verdieping een museum. . .'

De blauwe salon, de groene salon, de zwarte rookkamer, de rode zaal, de voorvaderengalerij, de Portugese galerij, de Hubertusgalerij (bijna 700 geweien), de wapenhal (met de grootste particuliere wapenverzameling van Europa), de kostbare gobelins, ze zijn voor de hedendaagse bezoeker nog even fascinerend als destijds voor de Franse schrijver.

Vooral de 26 levensgrote portretten van de voorouders intrigeerden Céline. 'Wat een koppen. . . hele rijen. . . fascinerend. . . tussen de patiënten door, van de ene deur naar de andere, ging ik naar ze kijken. . . vooral die van de twaalfde, dertiende eeuw!. . . wacht maar tot je die te zien krijgt! Allemaal monsters!. . . echt?. . . meen je dat echt?. . . ik zeg je, je moet er maar eens goed naar kijken en eens goed nadenken. . . je reinste duivels zijn 't!. . . bokkepoten!. . .'

Uiteraard zette de schrijver zijn tekst ook hier zwaar aan, maar de oudste voorvaderen hebben inderdaad wat demonisch over zich, nog versterkt door hun zwarte kleding en zwartgallige uiterlijk. 'Niks dan Hohenzollern, steeds lelijker. . . als kruisboogschutters. . . met helmen op, kurassen aan. . . in hofkledij. . .'

In deze zaal hangt de lijfspreuk van de Hohenzollerns: Nihil sine Deo, niets zonder God. 'Alles pro deo', heeft Céline bij het lezen van dit devies misschien gedacht.

Op 18 maart 1945 kreeg Céline een uitreisvisum voor Denemarken. Op de 24ste verliet hij met Lucette en Bébert om 19.30 uur in een boemeltreintje Sigmaringen. Ze reisden via Ulm dat grotendeels in puin lag.

Céline overleed in 1961, zijn vrouw leeft nog. Pétain werd in 1945 in Frankrijk ter dood veroordeeld, een vonnis dat werd omgezet in levenslang op het eiland Yeu. Hij stierf in 1951. Laval kreeg in 1945 de kogel.

Uit de Volkskrant, bijlage Traject, van zaterdag 15 september 2001 een artikel van Frans van Schoonderwalt.


Reis naar het einde van de nacht door Louis-Ferdinand Céline
Céline
 Het Slot. Foto van Derk Hendriks
Johann-fontein bij het stadhuis. Foto van Derk Hendriks