Kennismaken met Guido Gezelle
Bron: Museumgids doorheen het geboortehuis van Guido Gezelle,
Piet Couttenier, Brugge 1999
Het Gezellemuseum
Het bestaande Gezellemuseum, Rolweg 64, is ondergebracht in het geboortehuis van Guido Gezelle. Het ligt binnen het gebied van de stadswallen, maar de hele omgeving bezit nog een opvallend landelijk karakter. Dit hangt samen met de functies die het gebied in het verleden had: van lusthof tot hoveniersgrond en buitenverblijf.
Het domein waar zich nu het Gezellemuseum bevindt, was al in de 15e eeuw in gebruik als lusthof.
Het huis en de hoveniersgrond werd vóór 1830 eigendom van Van de Walle, een wijnhandelaar en eigenaar die in Brugge woonde. In 1925 werd het huis aangekocht door de Stad Brugge voor de inrichting van het Gezellemuseum.
Het huis, een eenlaagswoning met twee punt- of tuitgevels en een centrale schouw, dateert van de 16e of begin 17e eeuw en heeft het karakter van een kleine stadshoeve.
Pieter-Jan Gezelle, zijn vrouw Monica Devriese en hun eerste kind Guido
In het huis aan de Rolweg 64 te Brugge kwam Pieter-Jan Gezelle wonen op het einde van de Hollandse tijd. In de bevolkingsregisters werd hij op 22 december 1828 als hoveniersknegt ingeschreven, komende van Gent waar hij tuinman was geweest. In dienst van zijn huisbaas Van de Walle werkte hij mee bij een experiment van bebossing waarbij pijnbomen werden overgeplaatst. Pieter-Jan stond ook in voor het onderhoud van de siertuin van de eigenaar. Die bevond zich achter de rechterzijde van het huis welk ter beschikking bleef van Van de Walle als buitenverblijf of zomerhuis.
Pieter-Jan huurde van Van de Walle het linkergedeelte van de woning. Hij deed dienst als hovenier en conciërge van het kleine domein. In het huis kon hij beschikken over een gang, een keuken-woonkamer, de opkamer, de kleine kelder daaronder en een zolder. Een houten trap in de keuken gaf via een luik rechtstreeks toegang tot de zolder. Voor zijn hovenierswerk beschikte Pieter-Jan over de schuur met inrijpoort en een gedeelte van de hoveniersgrond, die echter veel uitgebreider was dan de tegenwoordige tuin. Voor eigen rekening kweekte Pieter-Jan fruitbomen, hagen, cipressen etc.
Hij trouwde op 1 juni 1829 met een boerendochter uit Wingene, Monica Devriese. Ze werd de dag erop te Brugge geregistreerd.
Het echtpaar Gezelle-Devriese zou negen kinderen krijgen, waarvan vijf in leven bleven.
Hun eerste kind, Guido Petrus Theodorus Josephus Gezelle, werd thuis in de Rolweg geboren op zaterdag 1 mei 1830 en nog dezelfde dag voorwaardelijk gedoopt in de parochiale St.-Annakerk.
Na Guido werden in hetzelfde huis geboren:
- Romain in 1832
- Louisa in 1834
- Désiré in 1836†
- Een meisje in 1838†
- Seppen in 1840
- Een jongen in 1842†
- Augustinus in 1845 (†1846)
- Florence in 1847
Twee zoons, Guido en Seppen, werden priester en Florence kloosterzuster. Romain werd vuurwerkmaker en Louisa huwde een kleermaker.
Guido verbleef niet zijn hele jeugd in het ouderlijk huis. Op 16-jarige leeftijd ging hij studeren aan het kleinseminarie te Roeselare waar hij de laatste drie jaren van zijn humaniora doorliep. Nog tijdens zijn collegejaren verhuisden zijn ouders eind 1848 overigens naar een huurhuis aan de overkant van de Rolweg. Guido schrijft vanuit Roeselare 'Ik hoop dat gy het al wel steld in den nieuwen hof. Ik verlang om hem te zien'.
Na het vertrek van de Gezelles werden het woonhuis en de gronden nog door verscheidene andere hoveniersfamilies gehuurd. De laatste huurder wist nog van Van de Walle gedaan te krijgen de woning in 1908 - 1909 uit te breiden.
In januari 1925 werd het domein en het woonhuis eigendom van de Stad Brugge. In opdracht van het stadsbestuur is in 1974 - 1975 het huis in zijn oorspronkelijke toestand gerestaureerd.
Guido thuis en op school
Het gezin Gezelle leefde in een kleine ruimte. De keuken diende tevens als woonkamer en slaapkamer van de ouders. De meisjes, de jongens en een leerjongen sliepen apart op de opkamer en de zolder. De kelder was provisieruimte. Vader Gezelle had een schuur met inrijpoort voor zijn hovenierswerk.
Tot de dagelijkse levenssfeer van Guido's jeugd behoorden de tuinarbeid, de vertrouwde omgang met de natuur, kennis van bomen, bloemen en planten, het opzetten van vogels, de volkswijsheid van de ouders, katholieke geloofsrituelen en devotie, gehoorzaamheid, spaarzaamheid en dreigende armoede. Vader Gezelle was ondanks alles een optimistische buitenmens die hield van praten en gezelschap. Moeder Gezelle was bezorgd en vroom. Tot de familiale traditie behoort het boerenbedrijf en werken in dienstverband.
Guido, geboren op 1 mei 1830, was de oudste zoon van het gezin en zou priester worden. Hij kreeg zijn eerste opleiding in de jaren 1837 - 1839 van een Amsterdamse onderwijzer en een andere Hollander. Over hen verspreidde Guido de legende dat zij hem de haat voor het Nederlands uit het Noorden bijbrachten.
In oktober 1841 begon Guido zijn humaniorastudies aan het bisschoppelijk college te Brugge. Hij trof er een uitstekend lerarencorps. Onder meer een anglofiel, een geschiedkundige en een fabeldichter en redenaar waren daar zijn eerste voorbeelden van kennis, idealisme en welsprekendheid.
Naar het kleinseminarie te Roeselare
In oktober 1946 gaat Guido naar het kleinseminarie te Roeselare om de laatste drie jaar van zijn Latijnse humaniora af te werken. In Brugge wordt het vernieuwde college te duur. In Roeselare worden minder kapitaalkrachtige leerlingen aanvaard. Soms werd van Guido een tegenprestatie in kleine diensten verwacht. Dit dienstbetoon was niet uniek. Hierrond is toch de mythe van de vernederde en uitgebuite leerling - portier ontstaan. Vanaf 1848 groeit het kleinseminarie uit tot een eersterangscollege. In hetzelfde jaar schrijft en publiceert de leerling Gezelle al poëzie. Guido is vaardig in het hanteren van de klassieke metriek en van diverse stijlen en genres: een hekelgedicht, een elegie, een vaderlands gezang. Zijn Nederlands voorbeeld is Bilderdijk.
In 1849 wordt de filosofiecursus, die voorbereidt op de priesteropleiding , naar het kleinseminarie overgebracht. Guido blijft hiervoor nog een jaar in Roeselare.
Guido naar het grootseminarie te Brugge
Voor zijn theologiestudies keert Guido in oktober 1850 terug naar Brugge, naar het grootseminarie in de gebouwen van de oude abdij ter Duinen. Hij wordt toegelaten, ondanks twijfels over zijn roeping. Zijn schrijverstalent wordt al opgemerkt en geeft misschien de doorslag om hem voor een priesteropleiding te aanvaarden.
Het studieprogramma omvat naast theoretische ook praktische vakken die voorbereiden op het latere priesterwerk (welsprekendheid, kerkzang, liturgie). Uit retraitenotities blijkt dat Guido een vrome, duldende en toegewijde priester wil worden. Hij is streng voor eigen tekortkomingen. Priester worden betekent ook veel. Hij wordt bemiddelaar tussen God en mens. Hij moet ook een toonbeeld zijn van piëteit.
Een notitie: 'O laat mij geen voetganger zijn in het leger van Jesus, maar een opleider en zielenwerver en drijver tegen de valse beginsels der wereld'.
Guido wordt diaken op 17 december 1853.
Leraar aan het kleinseminarie te Roeselare
Guido Gezelle wordt in maart 1854, drie maanden vóór hij priester wordt gewijd, leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Hij wordt zowel leraar in de beroepsafdeling als in de humaniora en de filosofie; hij doceert zowel talen als natuur- en handelswetenschappen. In alle taken die hem worden opgelegd, tracht hij het beste van zichzelf te geven. Zo mobiliseert hij zelfs zijn vader en vrienden voor het aanleggen van een kruidentuin.
De beloftevolle leraar Gezelle wordt in 1857 voor twee opeenvolgende schooljaren leraar van de Poësis, het jaar waarin de dichtkunst centraal staat. Hij ontwikkelt nu volop zijn toekomstdroom: een dichtersschool in Vlaanderen bezielen die de oude voorvaderlijke taal, godsdienst en cultuur tot nieuw leven zal wekken. Hiervoor wil hij zijn geliefde leerlingen voorbereiden en vormen tot sterke persoonlijkheden, vrome jongens en dichters die de modernisering van burgermaatschappij zullen beantwoorden met een vernieuwde christelijke cultuur. Zijn inspiratiebron is de eenheid van kunst en katholicisme van vóór de reformatie, het classicisme en de verlichting. Zijn geestdrift en fel idealisme zorgen wel in zijn omgeving voor verwondering en verwarring.
Gezelle schrijft zijn eerste gedichten voor zijn studenten. Hij brengt ze in contact met de moreel aanvaardbare dichters uit de West - Europese literatuur. Poëzie en religie moeten terug een eenheid vormen, zoals dat naar zijn idee was in de middeleeuwse kunst. Met zijn studenten gaat hij hiervoor op zoek naar de creatieve mogelijkheden die in de oorspronkelijke en natuurlijke moedertaal te vinden zijn. Taalonderwijs en dichtkunst vloeien in elkaar over.
In zijn eerste poëziebundel is Gezelle nog voor een groot deel leerling van Bilderdijk en andere Nederlandstalige dichters. In enkele gedichten nochtans wijkt hij sterk af van de gangbare dichtkunst in de Nederlandse literatuur van de 19e eeuw. Hij bekent zich ook tot andere literaire tradities: de bijbelse poëzie, de middeleeuwse hymnen, de zeventiende-eeuwse contrareformatie en de Engelse religieuze literatuur.
Modellen voor de nieuwe poëzie presenteerde Gezelle zelf in 1858 aan zijn leerlingen in een bundel Vlaemsche Dichtoefeningen en een bundel funeraire poëzie, Kerkhofblommen. Hij demonstreert een virtuoos creatief taalvermogen. Door een natuurlijk en persoonlijk inlevingsvermogen breekt hij met clichés in de poëzie van zijn tijdgenoten.
Gedichten, Gezangen en Gebeden van 1862 is een 'Schetsboek voor Vlaamse studenten'. De gedichten ontstonden in de studentengemeenschap in het kleinseminarie waarvan de priester en leraar het centrum vormt. Het uitgangspunt is didactisch en religieus: de persoonlijke vriendschappen zijn een middel om bij elkaar de godsvrucht te stimuleren. Poëzie is hierin een medium voor communicatie: antwoord op morele of religieuze vragen, oplossing van een gewetensprobleem, mededeling van persoonlijke gevoelens, uiting van genegenheid. Gezelle draagt zijn gedichten persoonlijk aan zijn leerlingen op. Vriendschap en poëzie vormen een eenheid. Soms gaat het om echte liefdesgedichten van een leraar voor een leerling: Dien avond en die rooze.
Gezelle was zich bewust van de opdracht van zijn kerkelijke overheid om gedichten, gezangen en gebeden in de volkstaal te schrijven die bruikbaar waren in de kerkelijke liturgie en in religieuze genootschappen. Ook in die zin trachtte hij gedichten te schrijven. Maar het resultaat overstijgt de opdracht: zijn vrije lyrische poëzie en het gebruik van dialectische taalvormen in een ernstige dichtbundel stuiten op heftige kritiek. Zijn persoonlijke lyriek geeft ook aanleiding tot literair experiment en formele vernieuwing. Hiermee vernieuwt Gezelle de Nederlandstalige poëzie twintig jaar vóór de Tachtigers.
Leraar Gezelle neemt zorgende rol aan gericht op student Eugène van Oye
Eugène van Oye werd in 1840 te Torhout geboren en bracht zijn jeugd door in een artsengezin waarin men belangstelling had voor literatuur en muziek. In zijn poësisjaar 1857 - 1858 had hij Gezelle als leraar.
Van Oye was voor Gezelle bij uitstek de leerling die zou meewerken aan de realisering van zijn literair en religieus project. Omwille van het gevoelige karakter van Eugène voelde Gezelle zich geroepen om een zorgende rol aan te nemen. Om hem te beschermen tegen fysieke vriendschappen (die naar de geldende regels in de colleges werden bestreden), bood hij zijn persoonlijke en exclusieve vriendschap aan die hij in alle vertrouwen en in het grootste geheim tot een christelijke vriendschap wilde vervolmaken. In Van Oyes artistieke aanleg zag Gezelle ook een aanwijzing voor een toekomstig priester- en dichterschap. Gezelle heeft dan ook meer en intiemer dan aan wie ook zijn inzichten en zijn gevoelens aan Van Oye meegedeeld. Dit gaf aanleiding tot een persoonlijke briefwisseling en een reeks vriendschapsgedichten die in de Nederlandse letterkunde klassiek geworden zijn, zoals Ik droome alreê, Ik misse u, Rammentati, met als hoogtepunt Dien avond en die rooze van november 1858. Alle bekende brieven (164 in aantal, waarvan 52 van Gezelle) zijn gepubliceerd (in de Jubileumuitgave van Guido Gezelles's volledige werken).
Van Oye kon Gezelles hoge verwachtingen niet beantwoorden. Hij verliet overigens, onder druk van zijn vader, het seminarie in december 1858 en ging in 1860 naar Leuven en later naar Gent om geneeskunde te studeren. Aan het intieme karakter van hun vriendschap kwam in 1865 een einde. Na 1875 -Van Oye was toen huisarts in Oostende- ontstond er een eerder gereserveerde vriendschapsverhouding. Van Oye evolueerde ook in een richting waarmee Gezelle veel moeite had (katholiek, maar liberaal- en Nederlandsgezind). Van Oye bleef actief in het literaire en culturele leven. Tijdens de Eerste Wereldoorlog koos Van Oye voor het activisme en in 1918 ontsnapte hij maar net aan een veroordeling. Hij werd wel geschrapt als lid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde. Hij stierf te Gistel in 1926.
In 1998 kon de Stad Brugge een belangrijke collectie handschriften, voornamelijk brieven, uit de nalatenschap Van Oye verwerven (Verzameling Jean De Coene).
In de geest van de Franse pedagoog mgr. F. Dupanloup en de Engelse Oratoriaan Father Faber streeft Gezelle een spirituele vorming na gebaseerd op de goede en zachte begeleiding van de individuele leerling. De geestelijke vader staat zo dicht mogelijk bij zijn leerling, onderhoudt voortdurend contact, bevordert de deugdzaamheid en bestrijdt de eigenwaan.
Naar Engels model richt Gezelle hiervoor een geheim bondgenootschap op: de Confraternity of Little Pious Society. De leden ijveren voor een betere innerlijke beleving van de devotie, vooral tot Christus en zijn aanwezigheid in de Eucharistie. Gezelle dweept met een zuivere christelijke vriendschap.
Engelse wereld
De Engelse maatschappij en cultuur zijn in Gezelles leven haast continu aanwezig geweest. Zijn geboortestad kende een Engelse kolonie. Engeland was hét land van de neogotiek. De Oxford Movement was voor Europa een prachtig voorbeeld van katholiek reveil. Naast Noord - Amerika was Engeland het missiegebied bij uitstek. In het kleinseminarie van Roeselare was er een speciale afdeling voor Engelstalige studenten, met een opmerkelijke figuur, Joseph Algar. Voor de missionering van Engeland werd er intens propaganda gevoerd.
In die omgeving is Gezelle een van de overtuigde anglofielen. In Roeselare begeleidde hij de Engelse studenten. Hij sprak en schreef vloeiend Engels. Hij wilde niets liever dan als priester vertrekken naar Engeland. Hij werd in 1861 onder - rector van het Engels Seminarie te Brugge. In Kortrijk gaf hij lessen Engels aan burgers en zakenlui en in 1886 voltooide hij er zijn vertaling van het toen zeer populaire lyrisch epos Hiawatha van de Amerikaanse dichter Longfellow. Zes keer verbleef Gezelle voor korte tijd in Engeland, voor het laatst enkele maanden voor zijn dood.
Bij zijn propaganda voor de missionering betoonde Gezelle een opvallende geestdrift. Met zijn filosofische standpunten als professor aan het Engels Seminarie raakte hij echter in conflict met de bisschoppelijke doctrine.
Onderpastoor te Brugge
In 1865 wordt Gezelle onderpastoor van de Sint-Walburgaparochie te Brugge en verschuift zijn professionele activiteit naar het gebied van de pastorale werking, de volksdidactiek en de pers. Met de Engelse oudheidkundige James Weale wordt hij mederedacteur en na een half jaar redacteur van Rond den Heerd, een geïllustreerd cultureel weekblad dat de lezers op een onderhoudende manier wil bewust maken van hun Vlaams en christelijk verleden. Er is een parallel met het neogotisch katholiek reveil dat streeft naar een homogene beschaving tegen de moderne individualisering. Ook Gezelle schrijft hierin vanuit één levensbeschouwing over natuur, liturgie, hagiografie, kunst- en kerkgeschiedenis, reizen etc. Hij vertaalt Engels proza uit de kringen van de Oxford Movement (Neale, Yange). In zijn vulgarisatie vernieuwt Gezelle, parallel met (maar anders dan) Multatuli, het Nederlandstalige proza. Uiteindelijk is hij ook in poëtische taal geïnteresseerd: de geleerde dichter reveleert er ook de rijkdom van de Zuid - Nederlandse geestelijke literatuur. Hij slaagt erin de creatieve mogelijkheden van die oude literaire taal opnieuw te activeren: de verre voorbode van een eigen poëzie.
Politieke journalistiek
Gezelle is in de periode 1864 - 1870 redacteur van de politieke weekbladen 't Jaer 30 en 't Jaer 70. Hij schrijft in opdracht van zijn overheid in het kader van het katholiek persoffensief en verwoordt voor de volks- en middenklasse de politieke standpunten van de katholieke opinie tegen het liberalisme. Eerst verdedigt hij de grondwettelijke vrijheden. Onder invloed van de pauselijke stellingname tegen de moderene vrijheden (Quanta cura) polemiseert Gezelle vanaf december 1864 vanuit een fanatiek ultramontanisme. In dialoog met de lezer wordt de politieke actualiteit met volkse en agressieve spotlust van commentaar voorzien. Gezelle vulgariseert ook kennis over politiek, geschiedenis en taal. Het stijlregister is dat van de natuurlijke, gesproken volkstaal. Allerlei prozagenres worden afgewisseld met politieke poëzie. Gezelle bewerkt ook ingezonden stukken. Een spectatoriale rubriek heet Het Spreekkamerke.
Gezelles journalistiek is niet een kwestie van Brugge alleen. Onder de schuilnamen Spoker, Djilleke en Geerke e.a. zijn er sporen van de journalist en polemicus vanaf 1855, maar evenzeer in latere periodes na 1872.
Onderpastoor, politiek journalist, redenaar en gelegenheidsdichter te Kortrijk
Gezelle wordt in 1872 onderpastoor, later directeur en priester zonder ambt te Kortrijk. Hij vindt er een vriendenkring van gelijkgezinden, oude bekenden en sympathisanten. Hij geniet er ook bescherming en financiële steun vanwege enkele vooraanstaande Kortrijkse families. Hij blijft actief op diverse gebieden, als parochiepriester, vulgarisator, redenaar, politiek journalist en gelegenheidsdichter. Hij ijvert er ook voor de Vlaams - katholieke emancipatie met de oprichting van een afdeling van het Davidsfonds. Zijn standpunten zijn gematigd - conservatief en in 1885 houdt hij dan ook een opgemerkte rede tegen het Vlaams radicalisme.
Gezelle is als dichter van de negentiende eeuw ook een productief gelegenheidsdichter. De teksten begeleiden belangrijke, rituele gebeurtenissen, zowel in de privé - sfeer als in de openbaarheid. Hij schrijft ook hier zeer vaardige poëzie die aan strikte retorische regels gebonden is en steeds is aangepast aan de bestemmeling en de omstandigheid.. Hij is dan tolk en woordvoerder bij eerste communies, sterfgevallen, inhuldigingen, priesterwijdingen en eerste missen, kloosterintredes, huwelijken of jubilea. De teksten troosten, opiniëren, zetten aan tot actie en inkering of wekken de lachlust op. De verzen werden aan de dichter gevraagd. De mensen lieten ze kalligraferen of drukken, bewaarden ze, droegen ze voor, lijstten ze in. Aan die meer dan duizend gedichten, die Gezelle op die manier geschreven heeft, besteedde hij de grootste zorg. Ze waren herkenbaar voor de personen voor wie ze geschreven waren, maar ook functioneel voor anderen.
Een speciale groep vormen de gedichten die Gezelle schreef als directeur van het verplicht zondagspatronaat Sint - Catharina voor de fabrieksmeisjes van de mechanische vlasspinnerij Linière de Courtrai. In naam van de arbeidsters schreef Gezelle gedichten en brieven voor de leidinggevende juffrouwen en dames uit de burgerij.
Muziek
Gezelle heeft geijverd om vernieuwing te brengen in de liturgie door volksgezang in de kerk. Hij kreeg hierbij medewerking van Remi Ghesquiere, die dertig geestelijke liederen schreef op gedichten van Gezelle.
De muzikaliteit van het werk van Gezelle heeft verder bijzonder inspirerend gewerkt op componisten in Vlaanderen en Nederland en aanleiding gegeven tot liederen, oratoria en koormuziek. Zijn teksten hebben in Vlaanderen een rol gespeeld zowel in de romantische traditie van volkse en nationale muziekbeoefening in de lijn van Peter Benoit als in de esthetische kunstrichting, zowel bij August de Boeck en Lodewijk Mortelmans. Edgar Tinel schreef drie cycli romantische koormuziek. Ook Joseph Reylandt, Lodewijk de Vocht en Jef van Hoof zijn zeer productief geweest. In Nederland zijn de composities bekend van Catharina van Rennes en Marinus de Jong.
Taalstudie en volkskunde
Vanaf 1880 knoopt Gezelle terug aan bij zijn vroegere taalkundige interesse en zijn vergelijkend taalonderzoek. Sinds 1852 verzamelde hij allerlei uitingen en verschijningsvormen van de volkstaal: woorden, wendingen, zegswijzen, spreuken en raadsels. In 1881 richt hij het taalkundig en lexicografisch tijdschrift Loquela op. Dit is de spreekbuis van een gilde van medewerkers die de 'ongeboekte' woordenschat van het oude Vlaams zullen helpen verzamelen en zo mogelijk terug ingang doen vinden. Vooral in Limburg vindt Gezelle veel gehoor. Zelf legt hij een collectie taalfiches aan, in totaal ongeveer 200.000 steekkaarten, waarvan 150.000 bewaard, die hij in dozen alfabetisch rangschikt. Ze vormen zijn zogenaamde Woordentas, zijn verzameling deugdelijke Vlaamse woorden die hij uit oude boeken en de gesproken volkstaal bij elkaar bracht. In 1898 stond hij ze af voor de redactie van het inmiddels voltooide Woordenboek der Nederlandse Taal.
Gezelle maakte ook veel notities over klankwisseling, naamgeving en woordvorming. Wat hij echter niet kon realiseren was een groot taalboek met het corpus en de taalwetten van zijn eigen moedertaal. Gezelle geloofde dat mettertijd uit de streektalen de algemene taal zou ontstaan. Hij aanvaardde niet dat de Nederlandse taal uit het Noorden, die hij stijf en onnatuurlijk vond, intussen ook in het Zuiden burgerrecht verwierf.
In de jaren 1880 - 1890 bestudeert Gezelle verder de Vlaamse volksgebruiken, de volkspoëzie, de volksdevotie, de kerk- en taalgeschiedenis. Vanaf 1886 geeft hij, geholpen door zijn trouwste medewerkster Cordelia Vande Wiele, een scheurkalender (Duikalmanak) uit. Vanaf 1890 oefent hij ook invloed uit op de redactie van het tijdschrift Biekorf.
Gezelles belangstelling voor het eigen cultureel verleden en de volkstaal als basis voor nationaliteit legitimeert ook zijn interesse voor kleinere culturen in de rand van grotere gemeenschappen, zoals die uit de Provence of Friesland. Frédéric Mistral en de Occitaanse (Provençaalse) taal- en volksstudie zijn voor Gezelle een voorbeeld. Dit geeft weer aanleiding tot vergelijkende taalstudie en sporadisch een vertaling. Voor de Frans - Vlamingen geeft hij in 1885 een taalblaadje uit, Ons Oud Vlaamsch, evenwel zonder succes.
Poëzie uit de Kortrijkse tijd
Het belangrijkste feit voor Gezelle is dat hij omstreeks zijn vijftigste een nieuwe, zeer productieve periode als dichter aanvangt. Hij publiceert tussen 1892 en 1897 zijn verzamelde gedichten, met twee nieuwe bundels: Tijdkrans en Rijmsnoer. Na Gedichten, Gezangen en Gebeden zijn dit nu zijn finale grote dichtbundels waarmee hij niet alleen jaren van stilte doorbreekt, maar ook echt belangrijk wordt voor de geschiedenis van de Nederlandse literatuur.
De latere dichter Gezelle is niet meer de idealistische promotor van een nieuwe dichtersgeneratie die met durf op zoek gaat naar een vrije poëtische taal. Hij is nu een lyricus die met veel aandacht voor de vorm van zijn gedichten de natuur vanuit een eigen droom- en belevingswereld exploreert en er een dimensie van oneindigheid in ontdekt. De wonderbaarlijke schepping ervaart Gezelle tot in de miniemste details. Hij hanteert een rijke en ingewikkelde poëtische taal. Zijn Nederlands heeft een Vlaams en historisch fundament.
Levenseinde en waardering
In maart 1899 wordt Gezelle benoemd tot directeur van de zusters Kanunnikessen van het Engels Klooster te Brugge. Hij geeft ook godsdienstlessen in de (bijbehorende) kostschool voor meisjes van de betere stand uit binnen- en buitenland. Hij werkt nu nog intenser aan de vertaling van een theologisch werk van de Brugse bisschop Waffelaert, die hem daarvoor de opdracht had gegeven.
Van officiële zijde krijgt Gezelle geen literaire erkenning. Zo grijpt hij naast de vijfjaarlijkse prijs voor Nederlandse letteren in 1896. Even later ondervindt de dichter Gezelle wel waardering vanwege de literaire avant - garde en de aanhangers van de nieuwe esthethiek in Vlaanderen. De Mont en Albert Verwey introduceren hem in Nederland.
Gezelle overleed te Brugge op 27 november 1899. Hij leed al langer aan suikerziekte, maar uiteindelijk stierf hij onverwachts door een abces aan het hoofd. Familie en vrienden kwamen te laat om hem nog levend te groeten.
De figuur en het werk van Gezelle kenden in Vlaanderen vanaf 1900 zowel bij katholieken als vrijzinnigen een plotse en hoge waardering. Er ontstaat dan een ware Gezelleverering. Ook in Vlaams - nationale en Belgicistische kringen wordt hij gecultiveerd. Naast zuiver literaire worden ook levensbeschouwelijke argumenten gebruikt. Talrijke literatoren zullen in de twintigste eeuw Gezelle als een voorloper beschouwen, zowel traditionelen als modernisten. In Nederland wordt Gezelle door de Tachtigers (Willem Kloos) als muzikale woordkunstenaar voorgesteld, ontdaan van zijn ideologische en sociale inhoud. Verder zullen zowel protestanten als katholieken de moderne en christelijke kunstenaar in Gezelle zien.
Grote Gezelle - herdenkingen zijn die van 1906, met de oprichting van het praalgraf te Brugge en die van 1930, met de oprichting van het Gezelle - standbeeld te Brugge en de editie van de Jubileumuitgave van Guido Gezelles Volledige Werken.
Gezelle behoort absoluut tot de canon van de Nederlandse letterkunde, maar in Vlaanderen is hij ook het voorwerp van mythe - vorming geweest, met nationalistische, godsdienstige en commerciële motieven. Gezelle wordt nu pas op een onbevangen manier bestudeerd. In feite zou hij ook intens moeten worden gelezen en vertaald.